Posts tonen met het label Frans De Maeseneer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frans De Maeseneer. Alle posts tonen

woensdag 13 februari 2013

Gebed van de week: Onderweg

Ons wekelijks Cursiefje van Frans De Maeseneer krijgt een opvolger met een wekelijks Gebed van Wies Merckx uit zijn boek Onderweg uitgegeven door Halewijn.

Op de achterflap van het boek lezen we: Al meerdere jaren schrijft Wies Merckx, diaken in het dekenaat Oosterzele, wekelijks een ‘gebed van de week’ voor de plaatselijke edities van Kerk & Leven. Hij put zijn inspiratie uit de bijbel en uit de contacten met mensen, zowel in de pastoraal als in het professioneel leven.

Vandaag beginnen we met het Voorwoord van zijn boek door Noël Bonte.

C.L.

Onderweg

Onderweg. We zijn het allemaal.

Onderweg met en naar elkaar, met en naar onszelf.

Onderweg zijn, is een thuis verlaten om er een andere te bereiken.

Onderweg, een leven lang.

Onderweg zijn, doet nieuwe horizonten ontdekken.

Onderweg zijn, is gast worden daar waar je welkom bent.

Onderweg op zandwegen en asfalt, gras en kasseien.

Onderweg zijn, beleeft elkeen, en iedereen anders.

Onderweg zijn, is menselijk.

En de liefste mens, Jezus, is de weg.

Ook zijn volgelingen weten dat.

Hun oudste naam is toch ‘mensen van de weg’

en Gods eerste naam is ‘Ik ben met jou’, ‘Ik ga met je mee’.

Onderweg. Een heerlijke bundel van een bevlogen schrijver.

Wies Merckx is pelgrim met de pelgrims.

Doordesemd van Gods Geest gaat hij met ons mee

op de weg van alle leven, onderweg…

Van harte voor een goede vriend.

Noël Bonte

woensdag 6 februari 2013

Dieudonne

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Gelieve dit woord te lezen zonder enig accent. Het is gewoon Dieu-donne: God geeft. Ik heb daar een verhaal over. Ik wil het even kwijt. Het gebeurde in Haïti, in het jaar 1981. Ik mocht daar acht dagen verblijven. In kloosterlijke termen gezegd: wij hielden daar kerkelijk bezoek. Wij, dat is de provinciale overste en ik. Ik was toen zoiets als zijn adjunct.

Op voorhand hadden we zoveel artikels gelezen en films bekeken over de voodoo en papa Doc en baby Doc, over bijgeloof en duivelse praktijken, over bockors en tontons-machouts, over armoede en corruptie. Kortom, Haïti was een land van sekten en insecten. Het was een land waar mannen altijd de broek dragen, want ze zijn geen slaven meer! Een land waar vele mensen katholiek gedoopt zijn maar steeds opnieuw bekoord worden om terug te keren naar de rituelen van hun oude geesten. En dat wordt daar heel zwaar bestraft: voodoobezoek staat gelijk aan weigering van communie gedurende weken en/of maanden. Heel stigmatiserend. Dat, en nog veel meer, wist ik af van Haïti toen ik landde in Port-au-Prince. Op de luchthaven kroop de hitte van de tarmac via mijn lichte broekspijpen over heel mijn body. Ik was dus aangekomen.

Eerlijk gezegd, niets viel mee. Alles wat we zagen, was in de praktijk nog erger dan onze voorkennis. Ik doorleef dit soort ervaringen altijd zeer reflexief. Ik ben daar voor honderd procent aanwezig geweest… met hart en ziel. Maar ook met mijn lichaam. Na twee dagen zat ik vol jeuk. Ik had bovendien een serieuze bloedvergiftiging. Ik ben daar geen enkel uur fit en gezond geweest. En ook de medebroeders vielen niet mee: allemaal getekend door de hitte en de armoede, door de zwarte struggle for life. Ik heb een hoogmis meegemaakt met twaalfhonderd mensen om zeven uur ’s morgens: vele zwarten gekleed met alle kleuren van de regenboog. Ik heb Cité Soleil gezien, hartje hoofdstad. Letterlijk stinkend heet. Ik dacht voortdurend: hier staat God te kloppen, te roepen en te schreeuwen: laat deze mensen toch leven! Met duizend uitroeptekens. Ik was daar geen seconde gelukkig: zoveel ellende mag mensen niet worden aangedaan.

Gelukkig was er de laatste dag en die maakte alles goed. We reden vanuit het Noorden (Labrande) naar de hoofdstad. Hun pater en ik en een meisje Dieudonne. Ze zat op de achterbank van de jeep. Na het rozenhoedje in het Kreools begon dat meisje te zingen. Zomaar uit het hoofd, uit het hart. Latijn, Kreools, Engels en Frans. En ze hield niet op, echt waar. Een stem als Nana Mouskouri, een stem van goud. Achttien was ze. Zo spontaan, zo puur, zo vol, zo zalig.

En dat was nog niet alles. Na vier uur moeilijk rijden en hotsen en botsen kwamen we in de buurt van Port-au-Prince. En Dieudonne begon te zingen: Haïti, mon paji! Een nationale hymne. Indien het mogelijk was geweest zou ze zijn rechtgestaan in de jeep. En toen werd ik me zo ontroerd dat ik ze in mijn armen heb genomen. Ik heb ze de mooiste kus gegeven van heel mijn leven. God gaf me toen heel veel. Dieudonne.

En Dieudonne stapte uit de wagen en liep naar het grootwarenhuis.

woensdag 30 januari 2013

Neurose

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Graag wil ik een beetje zin en onzin vertellen over de neurotische mens. Ik doe dat omdat het niet goed is alles wat te maken heeft met psychologische problemen toe te vertrouwen aan alleen maar beroepspsychologen. Wij hebben allemaal te maken met neurotisch gedrag van mensen uit onze meest nabije kring. En we zijn met velen onbekwaam om daarmee om te gaan.

Klagen en aanklagen, dat zijn de twee typische woorden. Ze liggen altijd dicht bijeen. Dat is precies het eigene van het fenomeen. De neuroticus klaagt omdat hij/zij altijd erge dingen meemaakt. De minste kwaal is meteen een symptoom van kanker. Alle mensen zijn vijanden van het geluk: ze groeten nooit, ze luisteren nooit, ze vertrouwen je nooit iets toe, de anderen hebben altijd alle geluk terwijl hij/zij altijd de dupe is van de situatie, al de anderen zijn succesmensen terwijl bij hen alles mislukt. Deze lijst kan eindeloos worden aangevuld. En de neurotische mens doet niet anders - en niets liever? - dan voor de hele wereld alle toetsen van dit klavier eindeloos te bespelen. Zo is de neuroticus een klachtenspecialist. Bemerk intussen dat alle uitspraken in absolute termen worden gesteld. Alles is erg. Alles is dramatisch. Dat is één zijde van de medaille.

De keerzijde van de medaille is de aanklacht. Maar dat is te voorzichtig gezegd. De aanklacht is niet zomaar de logische keerzijde van de medaille. In de klacht steekt al de aanklacht: wie mijn klachten aanhoort, is een schuldige. Wie luistert, is de oorzaak van de afwezige vreugde. ‘Het is uw fout’. De consulent, de buurvrouw, de echtgenoot, de priester moet schuld bekennen. Het is allemaal zo erg geworden door ‘hun’ nalatigheid. Zo is de neurotische mens een grootmeester in de strategie van de chantage: als ik niet gelukkig ben, dan is het omdat gij mij ongelukkig maakt! Zo wordt deze mens een tergend wezen. Op tele-onthaal kent iedere telefonist-van-dienst dit mechanisme.

Wat moet je daarmee doen? Dat weet ik niet. Echt niet. Samen met vele anderen heb ik intussen wel geleerd dat de neuroticus mij niet ongelukkig mag maken. Want - en dat is kapitaal - ik kan hem/haar onmogelijk genezen. Ik ben ook niet de oorzaak van de kwaal. Dat mag je natuurlijk nooit zeggen. Dat verhoogt alleen maar het klagen. Je mag bovendien ook niet met redelijke argumenten de klachten weerleggen: dan bewijs je eens te meer dat je er niets van begrijpt.

Intussen blijft de vraag wat ik moet doen. Ik weet het echt niet. Alleen mag ik hopen dat ik de zucht- en kuchtelefoons overleef. En dat deze mensen hun kwaal overleven. Ze zullen - zo vrees ik - hun kwaal lang verdragen. Ik kan niets anders doen dan deze mensen uit handen te geven.

En hopen dat ik deze nacht goed slaap.

Tot zover Frans De Maeseneer.

woensdag 23 januari 2013

De Lof Der Luiheid

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Luiheid is één van de zeven hoofdzonden. Zoiets past niet bij de mens. Het ontsiert en ontluistert hem. Daarmee zeggen we zeer veel ineens. Luiheid wordt gekoppeld aan zonde. Het is dus moreel kwaad. Bovendien, luiheid vernedert ons. Ik rijd niet graag op dit dubbele spoor. Is luiheid wel zo negatief? Zo ‘hoofdzondelijk’ kwaad? Dat wil ik eventjes onderzoeken.

Voordurend ontmoeten wij mensen die zeer actief zijn. Ze werken veel. Hun zaak, hun club, hun school, hun gezin vragen dat. Ze doen alles om iets ‘buiten zichzelf’ te dienen. Die mensen zijn daarin oprecht en moedig: deemoedig en edelmoedig. Niemand op aarde tekent protest aan tegen deze prestatiefierheid. Leve vader en moeder die zoveel voor ons hebben gewerkt! Het was voor hen gewoon om zoiets te doen. Ze gehoorzaamden aan een wet van het leven: wie liefheeft, doet veel moeite voor zijn keuze. Mensen die liefhebben, zijn alles behalve lui.

Een volgende stap is dat dit bezig-zijn wordt gedogmatiseerd, geïdeologiseerd en gespiritualiseerd. Dat wordt dan vertaald in een of andere dure eed: ik zal, ter ere Gods, nooit één minuut verliezen. Nooit zal ik rusten hier op aarde. Vakantie houden, daar dient de hemel voor. Enkele heiligen hebben ons op dat punt op een verkeerde voet gezet. Hun ernst werd rigoureus. Luistern, spelen, verwijlen, genieten werden zodoende werkwoorden des duivels. God verkiest de bezige bij. God vervloekt de mens die zijn tijd in ledigheid verslijt. In het zonnetje zitten is ongeoorloofd tijdverlies.

Ik vrees dat we daarmee in een gevaarlijke cultuur terechtkomen. In de cultuur namelijk van de humorloze ernst. De schepping moet steeds worden veroverd. Het lachen wordt gereserveerd voor de clown en de moppentapper. Wie geen overvolle agenda heeft, wordt een onmens. Wie de tijd niet bestormt, heeft van zijn opdracht en zijn roeping op aarde niets begrepen. Hij mist compleet de zin van het bestaan. Hij is letterlijk een nietsnut. Een nulmens. Eigenlijk is dat een nutteloze beleving van de schepping. De mens wordt een krachtpatser die daar een loon aan verdienen wil. Hij vergeet evenwel één ding: het leven is voor hen die op zaligheid kunnen wachten. De ijzeren monnik die weigert zogezegd lui te zijn, wordt ongenietbaar omdat hij enkel naar de strenge hemel kijkt.

Wie daarentegen in de goede luiheid gelooft, weet dat hij niet zo onverbiddelijk ernstig hoeft te zijn. God omgeeft ons met zaligheid als wij het aandurven te verwijlen bij de zegening van het leven. God mikt niet op helden. Hij vindt Zijn glorie in de mens die leeft. Dat is een gouden woord van de heilige Ireneüs. Dat woord is intussen bijna tweeduizend jaar oud. Het is goud waard. Spelen en stoeien en tijdverliezen zijn belangrijke doe-woorden. Alleen maar werken kan een gevaarlijke vervreemding zijn… uit angst.

Leve de luiheid die het leven geschieden laat.

woensdag 16 januari 2013

Retro

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Mensen zijn allerminst consequent. Enerzijds zijn we modern, bijwijlen zelfs hypermodern. Anderzijds zijn we oeroud en antiek. Soms denk ik in al mijn naïeve openheid dat onze jonge mensen eeuwen vooruit zijn op mijn klassiek schema. Soms denk ik dat ik verder sta dan de jonge generatie. Ze kunnen zo goedkoop en kritiekloos nazeggen wat de televisie en de reclame voorzeggen. Ze zijn bijvoorbeeld heel sentimenteel bij de doop van hun kind, ze zijn bijvoorbeeld heel romantisch bij hun huwelijk. Wat is hier retromode? Wat is hier retro zonder meer? Wat is er modern aan vieringen met Engelse songs? Wat is er modern aan het Panis Angelicus van César Franck en het Ave Verum van Mozart? Wat is ouderwets in onze evangelieteksten? Wat is ‘gedemodeerd’ in onze steeds terugkerende zogezegde profane lezingen? Zijn we modern als we het evangelie lezen volgens de onlineversie? Eerlijk gezegd, ik heb daar geen last van. Ik heb daar ook geen probleem mee. Ik heb daar wel serieuze bedenkingen bij.

Die serieuze bedenkingen betreffen eerst en vooral mezelf. Ben ik retro ja of nee? Mag dat of mag dat niet? En, als ik retro mag zijn, waarom zouden de anderen het dan ook niet mogen? Zijn de songs en de rituelen van de jonge generatie zo origineel en zo nieuw? Of gehoorzamen alle mensen aan hetzelfde gegeven: zijn we niet allen de dienaar van de ‘mimesis’? Mimesis is een Grieks woord. Het betekent zoiets als nadoen wat wordt voorgedaan, en nazeggen wat wordt voorgezegd.

Zo is het duidelijk dat de kinderen in Spanje Spaans spreken; ze imiteren, ze ‘mimeseren’ de klank en de intonatie van vader en moeder. Dat gebeurt ook in Polen, in Ierland en in Japan. De mens is een wezen dat herhaalt. Mensen zijn herhalende wezens, retrowezens. Zoals een Amerikaans collega mij herhaaldelijk zegde: Engels is niet moeilijk, bij ons spreken de kids van zes jaar het al. Kinderen zijn retro. Een stap verder: alle mensen zijn retro.

Maar nu komt het heikele punt: we horen dat niet graag, het is min of meer een belediging. We zijn gedwongen geweest zovele jaren lang om ‘in’ te zijn en ‘mee’ te zijn. Daarin hebben we in de voorbije jaren veel geïnvesteerd. Toch is dat een valse vraag. De echte vraag betreft de waarheid der dingen en de waarachtigheid der mensen. Daarin wil ik voortaan investeren.

Kijk, drie dagen geleden heb ik in een uitvaart een tekst beluisterd van Jesaja. Twee weken voordien heb ik een lied gehoord van Bram Vermeulen: ‘dood ben ik pas als jij me bent vergeten’. En in diezelfde dienst mocht ikzelf een tekst voorlezen van Han Fortman over het hiernamaals. En om in de lijn te blijven: zeer onlangs mocht ik voorgaan in een jeugdviering: enkele jonge, deugdelijke teksten. Dit veelvuldige citaat dient enkel maar om te zeggen dat oud of nieuw op zich een slecht criterium is. Ik zin op waarachtigheid. Mijn vraag is: ‘Wie raakt mijn ziel?’ Wannes Van de Velde raakt me tot in mijn ziel. Johannes van Patmos doet dat ook. Jacques Brel bezit ook dat vermogen en de Matteüspassie van Bach eveneens.

Om alleen maar te zeggen dat retro of niet een slechte vraag is. Absoluut origineel is geen enkel mens op aarde. Wij herhalen. Wij bouwen verder… Zo is Gershwin bijvoorbeeld een ‘afwijkende’ voortzetting van von Beethoven. Zo zie je maar.

Als het retroverhaal van Jezus en de profeten maar ‘in’ mag zijn.

woensdag 9 januari 2013

Levinas

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Veronderstel nu eens dat niemand je graag ziet. Dat je geen naam hebt en geen papieren. Dat niemand - helemaal niemand - zegt: mijn kind, mijn moeder, mijn vader, mijn broer, mijn zus. Veronderstel nu eens dat nu eens echt niemand op onze grote planeet je belangrijk genoeg vindt om aan je verjaardag te denken. Veronderstel nu eens dat niemand aanwezig is bij de geboorte van je kind; de biologische vader is immers laf spoorloos. Veronderstel nu eens dat je geen rechtmatig pensioen ontvangt. Veronderstel nu eens dat je zwaar ziek bent en niemand voor je telefoneert naar het ziekenhuis. Veronderstel eens dat je een huis zoekt of een home… en overal zijn de wachtlijsten te lang. Veronderstel eens dat je wil geholpen worden of gedepanneerd, maar precies nu zijn alle telefoonlijnen bezet van negen tot zeventien uur. Veronderstel nu eens…

Dat is literatuur die goed past in acties als broederlijk delen en welzijnszorg, voor artsen zonder grenzen en damiaanacties, voor zelfhulpgroepen en palliatieve zorgen en zo meer. Maar als je die lijn moest doortrekken over heel je leven, dan stoort het ons burgerlijk welbehagen. Maar dat is nu precies de garantie van onze authenticiteit. We moeten namelijk ophouden te redeneren en te denken en te handelen alsof het probleem van ondererkenning en onderwaardering van mensen een marginaal fait divers is. Het is de rauwe werkelijkheid van meer dan vijftig procent van onze wereldbevolking. En misschien is deze schatting nog braaf…

In ieder geval ethiek en godsdienst kunnen niet om het feit heen van de grote ‘ontrechting’ van mensen. Nu is er een joodse filosoof opgestaan die onze courante moraal doorlicht, analyseert… en er niet meer in gelooft. Zijn naam is Levinas. Zijn betoog is heel duidelijk.

Als je wil weten wat je moet doen, mag je niet enkel kijken naar woorden en waarden en principes. Dat zijn uiteindelijk gevaarlijke ontsnappingsroutes, die ons voor elk optreden van mededogen excuseren. Dan moet je kijken naar het gelaat van de andere mens: zijn behoefte, zijn angst, zijn vreugde, zijn dromen. Het gelaat van de andere - le visage de l’autre - zal je inspireren om niet langer te geloven in stijve dogma’s of even strakke houvasten. Dat leert ons Levinas. De moraal is niet gemáákt maar steeds in de maak.

Levinas nu was een Jood. Hij heeft heel zeker vanuit zijn opvoeding vaak het woord gehoord: luister Israël. Hij heeft echter de flair gehad het woord luisteren te vervangen door het woord zien. Daarmee wordt ons moreel systeem ondergraven. Volgens Levinas is moraal elke dag opnieuw uit te vinden. Moraal is niet allereerst gehoorzamen aan wat is vastgelegd van eeuwigheid tot eeuwigheid. Het is uit te vinden door attente mensen die maar één principe kennen: ik wil liefhebben. Wie liefheeft, wordt creatief.

Veronderstel nu eens dat Levinas gelijk zou hebben.

woensdag 2 januari 2013

Een Parabel

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Twee mensen gingen naar de tempel. Ze zochten een hoge plaats. Voor een hoog gesprek. Ze wilden iets gewichtigs zeggen over het leven, over de stand en de gang van zaken, over de toekomst.

De eerste zei: ‘Alles gaat de verkeerde kant op’. Hij had daaromtrent veel beelden en voorbeelden. Mensen steken hun paradijs in brand. En niets of niemand die hen tegenhoudt. De tweede zei: ‘Het leven is nog nooit zo mooi geweest als nu. Wat mensen allemaal kunnen en allemaal doen. Zoveel communicatie, zoveel zorg voor vrede en milieu, zoveel vrijwilligers’. Ze hadden allebei gelijk. Zo dacht het de eerste, zo dacht het de tweede. En ze waren geen van beiden fanatiek. Ze wilden luisteren naar elkaar maar ze bleven bij hun standpunt.

Daarop verscheen de wijze van de tempel. Ze vroegen of hij even luisteren wilde. Dat wilde hij. Ze zegden alles wat ze al duizenden keren hadden gezegd. De wijze luisterde. Daarop werden ze zelf ook wijs: ze vroegen wat hij van hun woorden dacht. Hij had daar geen mening over. Ze kregen dus geen van beiden hun gelijk.

Daarop vertelde hij hun deze parabel. Er waren eens twee mensen die opgingen naar de tempel. Ze zochten een hoge plaats. Voor een gesprek op hoog niveau. Ze spraken tot elkaar met grote sterke woorden. Ze hadden allebei gelijk, groot gelijk. En toch waren ze geen broeders. Hun waarheid verdeelde hen. Daarop stelde de wijze een vraag: wie van u heeft de waarheid gezocht boven en buiten zichzelf? Wie van u heeft de waarheid gezocht in de diepte, in de diepte van zichzelf? Daarop was hun antwoord: wij hebben de waarheid gezocht buiten en boven onszelf. Maar hoe moet het dan als wij waarheid willen vinden in onszelf? Daarop zei de wijze: luister naar de waarheid van je hartslag. Misschien hebt u alleen maar uw eigen ziel overgeslagen? De eerste begreep nu dat hij de verdoemenis van de wereld nodig had omdat hij angst had rond te lopen in deze verdorven wereld. De tweede begreep dat hij de vele positieve argumenten etaleerde om zelfzeker te worden. Hij was namelijk ook een angstig mens.

Zo hadden ze begrepen dat mensen pas waarheid vinden als ze varen naar het diepe… waar ze niet meer bang zijn van zichzelf of van hun schaduw.

En de toehoorders die alles vanuit de tribune hadden gehoord, klapten in de handen: de wijze heeft opnieuw wijs gesproken, een profeet is onder ons opgestaan. Luister naar hem.

Dat zegden ze vanuit de zijlijn.

Tot zover Frans De Maeseneer.

donderdag 27 december 2012

Ademen In De Nacht

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Met Jozef voor me, een man die rechtop staat als een waker en een herder. Met Maria, een vrouw met de handen op de schoot die gebaard heeft. Met Jezus, een kind dat te kijk ligt op een bed van stro. Klassieker kan het niet. Alleen, er zijn geen engelen die zingen, geen herders die hun schaapjes hebben geteld, en ook geen koningen die komen uit de verte. Het is een drieluik: Jozef, Maria, Jezus. Een kleine driehoek die toch geen familiefoto wil zijn? Het is allemaal vreemd en wonder. Ik heb daar vele vragen bij: staat hier voor mij, op mijn tafel, Gods grootste geheim? Moet ik beamen en aanbidden met blinde ogen en met mijn verstand op nul? Ik doe dat niet omdat ik daartoe niet bereid ben.

Ik leef liever met een andere vraag: is er in mijn zoektocht naar begrijpen en bevatten ook ruimte om het wonder te plaatsen? Is er ruimte om te zien dat mijn redelijkheid haar grenzen heeft en dat het plaatsen van onredelijkheid ook redelijk verantwoord kan zijn? Daarom vind ik deze kleine tableau met slechts drie figuren te smal. Het zegt me iets, maar vooral, het verbergt me veel. Jozef, Maria en Jezus, dat is de hele story niet. Dat is te zeer heilige familie, dat is te zeer ‘Jezulogie’. Want Jezus is meer dan een kind van Jozef en Maria. Hij is veel meer. De engelen horen erbij en de herders en de wijzen die komen van ver. Zelfs de os en de ezel mogen erbij. En als ik het zeggen mag: zelfs het kruisbeeld van Paasdag hoort erbij. Jezus is meer dan een kindernovelle. Het is een pijnlijk groot verhaal. Een verhaal van hemel en aarde, een verhaal van de armen die knielen omdat aan hen grote dingen zijn gebeurd. Het is ook een verhaal van mensen die wijsheid zoeken in het wonder dat stiller en sterker is dan wat in de boeken staat. De boeken zijn wáár als ik ze mag sluiten na de lezing en als ik dan mag verwijlen bij het gebeuren waar alle woorden naar verwijzen. Dat is voor mij Kerstmis.

Jozef, Maria en Jezus, dat is me te schraal, te intimistisch, te zeer gezinsvriendelijk. En dat is Kerstmis nu net niet. Bij de kerststal staan altijd vele mensen. Bij de kerststal staat niet enkel de sterre stil. Hier wordt de hele wereld stil van. Hier gaat de wereld open op wat gebeuren kan als wij van de familiefoto een groepsfoto maken! Iedereen moet op het plaatje staan, met zijn eigen erkenbaar gezicht. Dat is voor mij Kerstmis: een kleine stal is me te klein. Een grote stal is nooit groot genoeg. Ik hoor ze in de verte zingen, vanuit de vijf continenten, groot en klein, zwart en blank, protestant en katholiek, zelfs moslims en allen die hen niet verdragen. Rondom het wonder is onze aanbidding sterker dan ons begrijpen. Het wonder doet geen deuren dicht. Het wonder opent op LEVEN. Gods menslievendheid is op aarde verschenen. Met vele uitroeptekens. Mensenkind, je bent gezegend voorgoed.

Hij biedt ons de zaligheid om te ademen in onze nacht.

Tot zover Frans De Maeseneer.

woensdag 19 december 2012

Het Kind

Als het kind verschijnt, verandert alles. Dat is meer dan een romantische boutade. Het is gewoon de vertedering die de wereld niet missen kan. Volwassenen twijfelen immers aan niets, behalve aan zichzelf. Dat is hier aan de orde. Spreken over het kind is spreken over ma en pa, over oma en opa… die het jammer vinden zelf geen kind meer te zijn. Af en toe worden ze hun ernst, hun gewichtigheid en hun plechtigheid namelijk beu. Ze geven dat evenwel niet graag toe. Dan vallen ze immers van hun troon. En dat kunnen ze zich niet permitteren. Dat is een ongeoorloofde capitulatie op het publieke forum.

En toch is er één moment waarop wij onszelf deze luxe mogen gunnen. Wellicht is de kersttijd ons daarvoor gegeven? Dan kan geen enkel sociaal verplicht fatsoen ons verbieden eventjes sentimenteel te zijn bij Adeste fideles of Stille nacht. Wanneer dat lied gezongen wordt met vierhonderd mensen, dan gebeurt iets dat eindelijk eens mag. Voor één keer zal onze buur, naast ons op de stoel, zonder enig verwijt onze naïviteit accepteren. We mogen dromen, iedereen vergeeft het ons dat wij onze gekende stoerheid vergeten. Even zijn we niet meneer of manager, niet burgemeester of schepen, niet directrice of diensthoofd, niet bankdirecteur of moeder abdis. Het kind staat ons toe te dromen, anders te zijn dan een ernstige dame of een verantwoordelijke seigneur. Bij de kribbe of de stal herkennen en erkennen wij onze echte maat. Voor één keer geven we toe dat we, gelukkig, nog niet volwassen zijn geworden. Volwassen zijn we namelijk nooit. Zelfs niet in het uur van onze dood. Dan zij we immers even hulpeloos als in het uur van ons begin. We zijn allen klein begonnen en we zullen ook klein eindigen. Kerstmis helpt ons om dat niet te vergeten. Het is onze eerste en laatste waarheid.

Betekent het dat de rest leugen is? Ik wil niet te vlug overgaan tot deze veroordeling. Maar het geeft toch te denken. Als over enkele dagen onze kerstboom weggesleept wordt naar het containerpark, zullen we opnieuw voor de computer onze verveling camoufleren. We hebben dan alles opnieuw onder controle! Dat is het enige magische woord dat we zullen overhouden om mat en dof en ‘aangepast’ verder te doen. We zullen onze dagen vullen met ernst en deftigheid… omdat het goed staat ernstig en deftig te zijn. Dat verleent ons grote of zeer grote onderscheidingen. We zijn zo graag groot.

Bij dat alles vergeten we één ding: een kind is ons gegeven. Jezus wordt ons gegeven. Geen baby, geen zuigeling maar een mens die een hele wereld dromen doet. Hij zal en wil onze volwassenheid beschamen. De volwassenen zijn immers gevaarlijk. Ze vechten voor macht. Daarom zijn ze stevig gewapend met argumenten, met bommen en geweren. Daarom roepen ze zo luid. Daarom hebben ze uiteindelijk zo weinig te zeggen. Ze vechten tegen het kind. Ze willen het doden. Daarom verliezen ze de strijd.

Dat schrijf ik op 25 december. Op 28 december wordt onze onnozelheid gedood.

woensdag 12 december 2012

December

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Het doet mij iets als de dag zijn ogen sluit om vier uur in de namiddag: sober, koud, lange avonden. Ik kan daar niet goed tegen. Eerlijk gezegd: december is voor mij een maand om over te slaan. Een maand om van de kalender te schrappen. Het is niet zozeer de koude of de eventuele sneeuw. Nee. Het is de donkerte, het gebrek aan licht. Dat maakt me kort van adem en bezorgt me een opstoot van melancholie. Ik ben, daar ben ik nu zeker van, niet gemaakt voor grijs en zwart. In de iglo’s van Alaska zou ik geen halve dag kunnen leven. Ik ben geen frigomens. En ik ben er zeker van:de meeste mensen voelen ongeveer hetzelfde. December is een maand om zo snel mogelijk te vergeten.

Maar ja, we staan ervoor en we moeten erdoor. En het zal nog Kerstmis worden en nadien nog Nieuwjaar. Dan gaat ons hart weer open en krijgen we opnieuw goede zin. Gelukkig maar. Maar je gelooft het of je gelooft het niet: Kerstmis is niet helemaal mijn ding, het is niet helemaal mijn feest. Sorry. Het maakt me weemoedig en ik kan daar niet tegen. Geef mij maar de paaslelies en de paasklokken. Geef mij maar een lied in majeur, iets als alleluia driemaal en helemaal opnieuw. We werden al zolang en zoveel tot nederigheid opgevoed. Ik ben daar nooit gewend aan geraakt. Tot op vandaag. Ik vraag mij af hoe dat komt.

Wellicht komt dat omdat ik van nature weemoedig en nostalgisch ben en omdat ik daar niet te vaak aan herinnerd wil worden? Dat is zeker waar. Wellicht is het ook omdat wij, christenen, eigenlijk, op de keper beschouwd, maar één feest hebben. Wij hebben Pasen. Dat maakt ons tot christenen. Dat is het enige wat wij aan de wereld mogen aanbieden: de schande van goede vrijdag is het laatste niet. Het laatste is dat de laatste schande wordt beschaamd. Dat is Pasen. Dáár wil ik dan ook gaan staan, op die plek: waar de zon opgaat over het leven. Daarom uiteindelijk heb ik zoveel last met die sakkerse maand december. In december gaat de zon te vroeg onder. Voilà, dat is het

En nu doe ik even cryptisch. Pasen is er niet omdat Kerstmis er geweest is. Het is andersom. Kerstmis is er omdat Pasen er is geweest. Ooit - ergens in de buurt van 1966 - heb ik in een Brusselse kerk tijdens de nachtmis de mensen een zalig Pasen gewenst. Ze verstonden het niet. Ze dachten dat ik me versproken had? Of wellicht dat ik teveel gevierd had en dat het op mijn spraak geslagen was? Ze verstonden het niet. Ik heb dan die verspreking maar uitgelegd. Dat was dan maar een klein incident: jammer maar helaas. Pasen is ons feest!

Het valt gelukkig niet in december.

woensdag 5 december 2012

Sinterklaas

Jawel, ik geloof nog in Sinterklaas. Het is vanouds een sprookje waarin een lieve leugen tot waarheid wordt gepromoveerd. Mensen houden al eeuwen deze leugen in stand omdat ze hun waarheid in stand willen houden. Maar over welke leugen, over welke waarheid gaat het? Dat weet geen enkele sterveling op aarde. Uiteindelijk is dat het lieve geheim van dit kinderfeest. Het gaat hier namelijk niet primair om leugen en om waarheid. Het gaat hier om de pedagogische noodzaak van de mens die boven de leugen en de waarheid uit nog gelooft dat ons leven door goede geesten is omgeven. Sinterklaas is een mythe. Wij vieren dit feest omdat het leven liefst niet te doorzichtig mag zijn of te rationeel, niet te koel of te nuchter, niet te kaal of te vlak.

Welnu, de mythe wordt ontluisterd. Sinterklaas, dat is mama en papa. Het is gezond de kinderen reeds op vijf jaar daaromtrent accuraat en wetenschappelijk voor te lichten! Emancipatie heet dat. Ik heb het daar danig lastig mee. Het leven dient namelijk niet om uitgelegd en uitgekiend en uitgeklaard te worden. Er mag ook nog ruimte zijn voor wat ik, bij gebrek aan een beter woord, maar ‘zalige naïviteit’ wil noemen. Of anders gezegd, een beetje spel aan de rand van onze te ernstige ernst is nodig: kinderen toegelaten! Indien wij over die ernstige ernst heen willen geraken, hebben we niet vele troeven in onze handen. Alleen misschien dit: we kunnen leren geloven in de ernst van de fantasie, in de ernst van het dromenspel. Dat is ten diepste Sinterklaas. Maar wij doden onze behoefte aan fantasie door te decreteren dat kinderen niet vroeg genoeg volwassen kunnen worden, door juiste informatie te ontvangen. De ‘Verlichting’ heeft hier kennelijk gescoord. Dat is echter ten nadele van het kind… en van de volwassenen. Dromen wordt ons verboden. Dromen zijn immers niet rationeel te plaatsen. Ze zijn dus overbodig en ongeoorloofd. Taboe. Intussen houd ik mijn hart vast: indien wij er zouden toe komen de droomfase in onze dagen en nachten uit te schakelen, dan zouden we meteen ook de charme van het leven beschadigen. Dan pas ik. Dan is mijn lied gestoord.

Want laten we wel wezen, ik denk in dit avondepistel niet alleen aan kinderen. Ik denk aan de mama’s en de papa’s, aan de oma’s en opa’s. Zij mogen het sprookje niet opbergen. Dat de commercie intussen op een wansmakelijke en brutale manier sinterklaas, de kerstman en het kerstekind heeft ‘geglobaliseerd’, is helemaal niet fraai. Dat is dan maar voor de rekening van hen die uit onze zogezegde sprookjes veel geld op hun rekening plaatsen. Wie mij op 6 december een telefonische speculoos geeft, zal mij duidelijk maken dat het sprookje bij het leven hoort.

Tot dan.

woensdag 28 november 2012

Internazionale

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Of ik het hier vertellen mag? Zopas kom ik terug van een lange vergadering in Roeselare. We zaten rond een tafel met zeven mensen: een Italiaan, een Pool, een Nederlander en vier Vlamingen. Vijf heren en twee dames. Hoe zouden we elkaar vinden? Hoe, in welke taal, zouden we met elkaar communiceren?

We dachten dat het Engels zou worden, maar nee, het werd Italiaans met een Nederlandse tolk. En dat is gedurende meer dan drie uren vlot, vruchtbaar en hartelijk verlopen. We waren zelfs tot de hoge deugd van humor in staat. Toen ik huiswaarts reed en thuiskwam, was ik zalig van binnen. Onze Pool en onze Italiaan - zo had ik de indruk - verstonden zelfs Vlaams. Echt waar. Ze wisten intuïtief wat we zegden. Ze konden namelijk goed liplezen in ons hart: we waren om hetzelfde begaan! Nu heeft onze Nederlandse collega schitterend, trouw en eenvoudig vertaler gespeeld. Ik bewonderde de lieve taalvaardigheid van die man. Maar één keer liet hij het afweten. Voor het mooie Nederlandse woord ‘genegen’ vond hij niet meteen het Italiaanse alternatief. ‘Genegen’ bleef in zijn mond steken. De Italiaanse en de Poolse medebroeder hadden het begrepen zonder het te verstaan. Genegenheid is immers onvertaalbaar omdat het zo woordeloos authentiek is.

Van daaruit mijmer ik verder: het is toch gezond dat mensen meertalig zijn. Of moet het dan toch een toren van Babel worden? Die toren bleek uiteindelijk een ramp te zijn ‘omdat ze allen dezelfde taal spraken’. Dat is een uitdagend diep woord. Het wordt nog sterker wanneer we in het verhaal verder mogen horen dat God als het ware zijn hart vasthield: het is toch niet waar zeker, ze spreken allen dezelfde taal, ze verstaan elkaar? Maar dat vond onze Heer en God een vloek. Mensen zijn namelijk niet geroepen om als uit één mond hetzelfde te denken en te zeggen. De hele mensheid één grote onpersoonlijke kudde? Foei. Ze verstaan zogezegd elkaar omdat ze niets te zeggen hebben. Omdat ze hun eigenheid, hun eigen geweten, hun eigen fantasie hebben begraven ‘op het altaar van de uniformiteit’!

Goed overeenkomen, elkaar liefhebben, bestaat er niet in onszelf dood te zwijgen. Dat is zeker geen deugd. Genegenheid heeft te maken met mensen die vele talen, vele registers, vele variaties, vele melodieën, vele tongen en vele woorden en vele dialecten bespelen. Wees gerust, mensen die het goede ‘genegen’ zijn, vinden elkaar wel. Er bestaat iets als een spirituele internazionale. Er bestaat zoiets als globalisering van de genegenheid.

God is meertalig.

woensdag 21 november 2012

Abraham Lincoln

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Abraham Lincoln is de zestiende president geweest van de USA. Over die man heb ik onlangs een serieus artikel gelezen. Als dusdanig is die tekst niet geschikt voor deze publicatie. Ik wil echter stilstaan bij één woord van deze grote republikein. Hij heeft het over het onderscheid tussen een staatsman en een politicus. ‘Een staatsman denkt altijd aan het land, een politicus altijd aan… de volgende verkiezingen’. Dat woord geef ik meteen een ereplaats op mijn hitparade van geslaagde uitspraken. Iemand die kan kalligraferen, mag dit woord eens mooi versieren en het dan opsturen, op mijn kosten, naar onze vele parlementen. Het zou daar wonderen (kunnen) doen.

Geef toe: de uitspraak is raak. Ik moet er telkens aan denken wanneer ik zie en hoor hoe onze bestuurders zo weinig besturen, hoe onze coalities met wantrouwen worden gevormd en dus falen. Ik moet voortdurend aan dat woord denken wanneer ik hoor en zie hoe beloften worden gedaan en niet gehouden. Enkele jaren geleden was ik zelfs zo naïef te geloven in een nieuwe politieke cultuur, plechtig met hoofdletters NPC genoemd. Dat heeft bij mijn weten geen twee maanden geduurd. Daarna keerden de heren en de dames terug naar hun slechte gewoonten. Telkens en telkens opnieuw denken ze volgens de grillige golfslag van de opiniepeilingen. Iedereen zegt en herhaalt dat dit soort peilingen niet belangrijk zijn… behalve wanneer ze winst beloven bij de volgende verkiezingen. Die verkiezingen moeten dan maar liefst zoveel mogelijk worden vervroegd. Lincoln heeft al vaak zijn gelijk gekregen.

Dat alles is jammer maar helaas. U moet namelijk weten dat ik al heel mijn leven bewust positief ben geweest voor mensen die zich willen inzetten voor de opbouw van de gemeenschap. Wat precies de oorspronkelijke betekenis is van het Griekse woord politeia. Dat ik steeds - meestal tevergeefs - mensen heb willen overtuigen om zich voor politiek te interesseren.

Ik ben een vurig lezer geweest van de politieke theologie van de jaren tachtig. Ik ben vooral steeds op zoek geweest in de bijbel naar profeten en herders, naar mannen en vrouwen die passionario’s waren voor de zaak van de gerechtigheid. De bijbel is nergens en nooit ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Foei. De bijbel handelt altijd over de opbouw van een mensengemeenschap. Omdat onze God gedroomd heeft van een volk dat recht doet en gerechtigheid. Omdat de mensen die dit visioen hadden begrepen, er hun leven en hun sterven voor veil hadden. Sjaloom.

Welnu, ik mis iets van die gedrevenheid. Ik proef zo weinig visie, zo weinig taaie wijsheid. Veel te veel oplapwerk voor morgen en voor onmiddellijk, maar nooit eens een charter of een universeel manifest. Veel te veel instantoplossingen met dringende deadlines. Nooit een politiek credo. Lincoln is nog zeer actueel.

Intussen weet ik ‘vanuit de zijlijn’ hoe alle netelige dossiers moeten worden aangepakt: DHL, de nachtvluchten, BHV. Ik heb voor alles de enig juiste oplossing… volgens mijn alom gekende bescheiden mening. Dat is natuurlijk een joke.

Dat ze maar liever naar Lincoln luisteren.

woensdag 14 november 2012

Wij Vieren Maar

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Woorden verslijten indien ze te vaak worden gebruikt. Indien ze telkens opnieuw kritiekloos en onnadenkend worden opgevoerd. Het moge je niet verwonderen dat ik - precies ter wille van de waarde van het vieren - een paar afwijkingen wil opruimen. Boeteviering, biechtviering en begrafenisviering zijn ijdel gebruik van woorden. Voor deze dingen schrappen we best het woord viering. Het leven van mensen is gewoon niet altijd feestelijk. Ce n’est pas tous les jours dimanche.

Ik herinner me een overste die ons in een open brief schreef dat we geen enkele gelegenheid tot feesten voorbij mochten laten gaan. We hoorden dat graag. Zes jaar later vroeg zijn opvolger zich openlijk af of het wel zo gezond was almaar alles te willen vieren? Hij vond dat overbeklemtonen van het voortdurende vieren ongepast. Als gehoorzame knaap ben ik het met beide oversten eens. Wat dacht je anders? Ik zeg het dan maar op mijn manier: er zijn dagen om een boterham te eten en er zijn dagen om taart te eten. Ce n’est pas tous les jours dimanche.

Daarmee is eigenlijk gezegd wat ik zeggen wil: éénmaal per week is het wél zondag. Laat dat dan een vier-dag zijn! Daarvoor komen christenen samen op hun dag. Daarom komen christenen samen voor liturgie. Liturgie nu is letterlijk mysteriespel. Mysterie en spel: dat zijn de twee essentiële polen die elkaar nodig hebben en ook elkaar bevruchten. Zonder erkenning van het mysterie ontaardt het spel tot show. Zonder erkenning van het spel wordt elk mysterie dor en saai en vreemd.

Een mysteriespel is dus een evenwichtsoefening. Een mysterie wordt gespeeld omdat mensen met hun zintuigen binnen willen treden in het onzegbare aanwezige geheim. Het spel wordt gespeeld omdat God vreugde schept in mensen, omdat Hij ons hart wil verwarmen, en omdat Hij ons vermogen om elkaar nabij te zijn wil activeren. Uiteindelijk omdat Hij zijn mensen tot leven wil wekken. Zelfs tot leven in overvloed. Une fois par semaine il est dimanche.

Om juist begrepen te worden voeg ik eraan toe dat vieren niet enkel handgeklap is en dansen en wuiven en zingen en springen. Bij gelegenheid van een jubileum - dat is toch echt een viering - is er ook stilte, ontroerende stilte zelfs voor de toespraak. Er is ook een herdenking van de mensen die er jammer genoeg niet bij kunnen zijn… wij bidden voor hen zonder op tafel te springen. In dit soort levensechte vieringen buigen wij het hoofd voor de zegening van de tafel. Met eerbied steken wij de kaarsen aan en plaatsen we bloemen op de tafel, allemaal liefst zonder decibels. Stille eerbied is stille ernst. Maar daar begint precies het geheim: stilte dient om uitgesproken te worden. De uit-bundigheid volgt op de in-getogenheid. En andersom.

Dat de voorganger bij het hele gebeuren belangrijk is, spreekt voor zichzelf. Hij zou eigenlijk een dubbele mond moeten hebben: een mondstand, een intonatie en een stemgebruik voor de dienst van het woord en daarnaast een mondstand, een intonatie en een stemgebruik voor de dienst van de tafel. Een voorganger zou in zekere zin tweestemmig moeten zijn.

Medevierders zijn bezig het ons goed te leren. Dank u.

woensdag 7 november 2012

Racisme

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Even over zeven stapte ik het parochiecafé binnen. Ik wilde de vergadering van acht uur voorbereiden en ik zocht een rustige plek om mij te concentreren op een lange tekst die ik al eerder vluchtig had gelezen. Het liep echter helemaal anders. Aan de tapkast, op vijf meter van mijn stoel, waren twee mannen luid en druk aan het discussiëren. Nee, zo was het niet. Het was eerder een monoloog van één man terwijl de ander zich steeds voorbereidde om, als het even kon, zijn invalbeurt niet te missen. Het ging over de moslims, over het wapen van de zelfmoord, enzovoort, enzovoort. Israël was ook niet goed maar toch een haartje beter dan de Islam. Het kwam er op neer dat alleen de christenen de goeie waren… maar het moesten dan wel echte zijn.

De man-aan-het-woord vergat geen enkele keer te zeggen dat hij geen racist was. We kennen dat. Intussen las ik een tekst over de zin van de sacramenten. Ik zag die zijn helemaal niet zitten. Ik verstond zelfs de woorden niet die ik las. Totdat de spreker van dienst ‘dringend’ weg moest en langs mijn tafeltje passeerde. Of ik ‘ook’ gelovig was? Ik antwoordde: misschien een beetje. Waarop hij heel zijn tirade herbegon. Zo ‘dringend’ was het dus niet. Om een einde te maken aan deze ‘ontmoeting’ zei ik nogal kordaat: ‘Meneer, ik ben pastoor en over tien minuten moet ik hiernaast een conferentie geven aan priesters’. Toen moest hij plots weer ‘dringend’. Ik riep hem nog na: ‘Weet goed dat ik alles anders zie dan gij’. Hij zei geen amen. Hij zei niets. Ik vond de zin van de sacramenten terug. Toch min of meer.

En nu is dat ‘gesprek’ al enkele weken voorbij. Ik denk er letterlijk over na. Wat is er toch aan de hand dat mensen zelfs aan de toog een betoog houden over christenen en joden en moslims? Terwijl pastoors deze ijver al lang hebben opgeborgen. De joden en de moslims. Het zit de mensen kennelijk zeer hoog. Hun mond loopt over omdat hun hart zo vol is. Zoiets liegt niet. Het is een veelzeggend teken. Toch stoort het mij. Het stoort mij omdat het niet ernstig is zo simplistisch over ernstige dingen te spreken. Ernstige predikanten doen dat niet. Ten eerste: ze bereiden zich goed voor. Ten tweede: ze stellen de echte vragen en zoeken naar degelijke argumenten. Ten derde: ze spreken bescheiden enkele antwoorden uit. Het besluit is in ieder geval dat we liefst niet teveel dogma’s verkondigen. En dat we er ons voor hoeden de mensen met slogans dom te houden. Daarin hebben wij volkomen gelijk. Maar wat helpt het gelijk te hebben als het echte evangelie - van de echte christenen - bij een Duvel en een Orval wordt afgekondigd? Door mensen die veel vaster geloven dan ik?

Door mensen die geen racisten zijn maar… Mag ik dan op dit stille blad zeggen dat ik dit erg vind?

Over multicultureel samenleven moet ‘dringend’ met veel nuchterheid worden gesproken. Daarom stoort mij dit soort cafépraat. Het is meer dan cafépraat. Het bevordert en propageert een soort psychose waar de volksmens zo weinig immuun voor is. Vroeger werd aan de kerk verweten de mensen dom te houden. Dat was niet fraai. Dat het volk nu zelf het volk dom houdt, is ook niet fraai.

Enkele weken geleden heeft deze meneer naast me gestaan in het stemhokje. Ik ben echter gerustgesteld: meneer zal voor de christenen gestemd hebben.

Hij is immers geen racist.

woensdag 31 oktober 2012

Mensen Hebben Woorden

Mensen Hebben Woorden

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Het zal je niet verwonderen dat ik het met mijn eigen ogen gezien heb: twee vrouwen staan al twintig minuten met elkaar te praten voor de winkeldeur. Ik kom even langs en ik hoor ze zeggen dat ze weinig tijd hebben en nog zoveel werk. Een half uur later staan ze daar nog. Het werk thuis kan geen seconde wachten… Een curieuze logica. Wees gerust, mannen zijn geen haar beter. Aan de toog staan ze te peroreren over voetbal en over televisie, over hun werk en over de politiek, over de vele relaties die ze hebben en waarom het allemaal misloopt in onze wereld. Daarover hebben ze vele woorden. En - dat is het verschil met vrouwen - de mannen hebben altijd oplossingen en altijd gelijk. Twijfel daar toch niet aan.

Nu weet ik perfect dat noch die vrouwen noch die mannen spreken omdat ze waarheden willen zeggen. Mensen hebben woorden nodig omdat ze bezig willen blijven. Omdat ze verhalen nodig hebben om te overleven. Godfried Bomans heeft daar een heerlijk stukje over geschreven. In Zuid-Italië stonden mannen te discussiëren met vele woorden en vele gebaren. We kennen dat, in een albergo, in een bar. Ze hadden het over een staking die volgens de enen dringend nodig was en verantwoord maar volgens de anderen absoluut overbodig en nutteloos. Komt daar een journalist. Die man had dorst. Hij kende de ware toedracht van de zaak. Hij kon het niet hebben dat al deze luide sprekers zich zo grondig vergisten. Daarom legde hij correct uit hoe de vork aan de steel zat. Daarop verliet hij de herberg. Hij had iets goeds gedaan. Het gesprek (?) zou nu wel eindigen want de waarheid - de echte waarheid die alleen de journalisten kennen - was nu gezegd. Maar alles ging gewoon door. De journalist had één grote denkfout gemaakt. Hij dacht namelijk dat mensen spreken omdat ze waarheid zoeken en waarheid willen zeggen.

Het gewone leven is niet zo dogmatisch ernstig. Mensen spreken en kletsen en tateren omdat ze een klankbord zoeken, een ander mens, een medespeler of een tegenspeler. Uiteindelijk omdat ze leven willen proeven en beproeven bij de andere mens. Eigenlijk is dat heel gewone gebeuren zalig: we hoeven niet op ieder uur van de dag een verantwoorde speech te houden of een redenering te debiteren die tot in de details klopt. We mogen praten zonder elke zin zeven keer rond te draaien in onze mond. Mensen willen hun buik uitspreken en of dat mag alstublieft?

Misschien zitten we daarmee dicht bij de waarheid van onze vele woorden: mensen willen uitademen en ventileren. Dat hebben we nodig. Daarom spreken we liefst dialect of de gekende ‘tussentaal’ van tegenwoordig: mogen we eindelijk eens zeggen waar ons hart en onze geest vol van is? Mensen die ervan uitgaan dat alle woorden op de juiste waarheid gericht moeten staan, vergissen zich omdat mensen, gelukkig maar, niet op elk ogenblik van de dag een examen afleggen. Ze spreken woorden omdat een behoefte het hun zo ingeeft.

Dat is heel ernstig. Vergissen we ons toch maar liefst niet. Die vrouwen voor de winkeldeur en die mannen aan de toog, die zeggen veel meer dan hun woorden. Alleen, het vraagt enorm veel empathie en veel humor en veel wijsheid om te beseffen dat deze vele grabbelwoorden iets of veel zeggen over de pratende mensen. Ze verbergen namelijk iets en ze reveleren iets. Het zijn mensen met een gemoed dat vol is…

Pedagogen en predikanten mogen pas over zingeving spreken wanneer ze hebben begrepen hoe mensen met mensen omgaan via hun vele nutteloze woorden.

Ik heb nog veel te leren.

woensdag 24 oktober 2012

Fundamentalisme II

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Over het fundamentalisme valt nog veel meer te zeggen. Fundamentalisme heeft ook te maken met het letterlijk verstaan van teksten en woorden. Zoals het woord er staat, zo dient het ook gelezen en verstaan te worden. Elke interpretatie is uit den boze. Wie interpreteert, gehoorzaamt namelijk niet. Hij onderwerpt zich niet aan het woord. Hij onderwerpt het woord aan zichzelf. Waar dat gebeurt, keert de mens de logica der dingen om. Hij wordt ontrouw. Wie raakt aan een tekst, raakt aan zijn eigen statuut en aan zijn eigen definitie. Hij houdt zich niet aan de eeuwige afspraak. Hij staat in het leven niet op de plaats waar hij behoort te staan. Hij verraadt zijn eigen aard. Zo ontstaat ontaarding. Zo ontwricht de mens de voorgeschreven logica.

Dat is nooit toegestaan. En waarom is dat zo? Dat is zo omdat de bewakers van de waarheid niet de bewakers zijn van mensen. Zij vertrouwen de mens niet. Mensen zijn immers per definitie onbetrouwbaar. Uit zichzelf zinnen mensen enkel op wat niet goed is en niet waar. Zo kunnen mensen uit zichzelf ook God niet vinden. Tussen de mensen en God is het water altijd veel te diep: zij kunnen bijeen niet komen. Om God en mens bij elkaar te brengen, is altijd een instantie nodig die bemiddelt. God eist van de mens altijd een visum voor zijn levensreis. Dat is - als ik het voor ingewijden zeggen mag - een zekere vorm van manicheïsme. Uit zichzelf is de mens slecht. Hij is noodgedwongen geneigd tot het kwade. Om in Gods huis te mogen binnentreden, heeft de mens iemand nodig die hem introduceert. Of iemand die voor hem ten beste spreekt. Hij heeft iemand nodig die voor hem een ‘goed woordje’ doet.

Dat is nu het wezenlijke punt voor alle godsdiensten. Godsdiensten gaan er altijd van uit dat ze nodig zijn om de mens bij zijn God te brengen. Alsof God de omweg van een instituut nodig heeft om bij de mens te komen… Tussen God en de mens staan er daarom sluiswachters of douaniers geposteerd. Deze douaniers en deze sluiswachters onderzoeken onze papieren: of ze wel rechtsgeldig zijn (ingevuld). Daarmee zitten we precies in het fundamentalisme: de mens heeft goede papieren nodig om toegang te krijgen tot de hoge majesteit die God heet. Die goede papieren betreffen de juiste ondertekening van de juiste woorden die opgeschreven staan! Om die woorden goed te kunnen verstaan, heeft de mens de bril nodig van een ander. Welnu, iedere oogarts leert ons dat zoiets finaal onze ogen kapot maakt.

Tot wat aberraties of afwijkingen dit kan leiden, bewijst ons de geschiedenis. Mensen hadden en hebben nooit het recht hun eigen weg tot God te zoeken en te vinden. Het instituut dat zich plaatst tussen God en mens leende voortdurend de enige goede bril om God juist te zien. Zo werkt elk instituut vervreemdend voor de Godzoekende mens. Zo wordt aan de mens het recht ontzegd om in vrije stijl woorden te lezen. Daaruit moge blijken dat in de godsdiensten de bemiddelaars zichzelf te belangrijk vinden.

Jezus en Paulus hebben ons iets anders geleerd. Zij plaatsen God en mens in elkaars blikveld. Het instituut dient om mensen in deze zoektocht te leren lezen.

Met hun eigen bril op hun eigen neus.

woensdag 17 oktober 2012

Fundamentalisme

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Het fundamentalisme is de grootste bedreiging voor onze samenleving. Dat hoor ik regelmatig zeggen. Er moet dus iets van aan zijn. Ik wil dat even onderzoeken omdat ik van mezelf mag veronderstellen dat ik geen fundamentalist ben. Een fundamentalist onderzoekt namelijk nooit iets. Hij is een mens die wéét. Zijn weten is zelfs onfeilbaar en laat geen millimeter ruimte voor twijfel. Deze nuance van de twijfel kan en mag hij zich niet permitteren. Het zou hem ontrouw maken en ongehoorzaam. Een fundamentalist schakelt dus altijd elke subjectiviteit uit. In de heilige zaak die hij dient, gaat het nooit om of over zijn persoon. In de heilige zaak die hij dient, gaat het altijd en onvoorwaardelijk en exclusief om de heilige zaak. En over niets anders. Wie dat anders zegt, is een gevaarlijke vijand. Die wordt ooit eens op non-actief geplaatst of verwijderd… of gedood.

Fundamentalisme is dus inderdaad erg. Het kijkt de mens niet in de ogen. Het luistert niet naar de hartslag van de levende mens. Het definieert de mens niet als een wezen dat tot vrijheid is geroepen. Het definieert de mens als een wezen dat een ideologie dient. De mens is een gehoorzamend en onderworpen wezen. Hij gehoorzaamt altijd aan wat ‘in de hemel’ geschreven staat. Vader weet het altijd best. Wat vader nu best weet, is tijdloos en ongeconditioneerd waar. Voorgoed. En wee de mens die daaraan één jota veranderen wil.

We hebben het al begrepen: de fundamentalist kan niet lachen. Hij is compleet humorloos. Hij relativeert niets. Hij relativeert alleen maar zichzelf. Hij bestaat eigenlijk niet. Het dogma bestaat boven hem en in zijn plaats. Zo bewijst de fundamentalist dat het leven op aarde moet gehoorzamen aan één grote ernst. Hij leeft vanuit een bestel dat over hem en over alles heerst. Hij leeft van pijlers die rechtop moeten blijven: zo recht als een (rechte) kaars en zo vast als beton.

Welnu, dat humorloze bestaan is gevaarlijk. Het is gestolde angst. Het verbiedt het leven geleefd te worden. De angst is met andere woorden zijn slechte raadgever. De fundamentalist vergeet zichzelf omdat hij geleerd heeft zichzelf fundamenteel te wantrouwen. Hij vergeet dus zichzelf. Dat oogt mooi maar hij vergeet niet zichzelf om de anderen te dienen. Hij vergeet zichzelf om een anoniem en onaantastbaar axioma te dienen. Dat leidt deze mens tot de heilige oorlog en zelfs tot de heilige zelfmoord.

Deze dogmatische definitie van de mens is mij een gruwel. De mens is niet allereerst en uitsluitend een onderworpen wezen. Hij is een ontwerper van vrijheid. Een subject dat denken en dromen en minnen mag. Hij mag leven! Niets is in de mens neergelegd om te worden verstikt of gedood. De mens mag zijn passie en zijn ontroering versieren. En daarin origineel zijn. Met moeite en zorgen natuurlijk. De mens is niet geboren om te zwijgen. Hij is geboren om te spreken. Om het leven te leren. Hij mag zich eventueel meer dan eens verbranden aan dit avontuur.

Een fundamentalist weet echter beter. Hij weet alles beter. Foei!

woensdag 10 oktober 2012

Schrijven

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Schrijven is een eenzaam gebeuren. Het is ook een stil gebeuren. Het gebeurt stil, met of zonder muziek. In mijn geval is het zonder muziek. Het is stilte tout court. En luisteren naar stemmen die diep in mij roepen om bevrijding, om verlossing, om geboorte. Zo gezien is schrijven voor mij gehoorzaamheid. Liefst zonder dwang natuurlijk. Liefst ook zonder obsessie. Toch is het een behoefte. Zelfs een vitale behoefte: als ik niet schrijf, besta ik niet. Ik ben bewoond door eindeloze woorden. Als ik schrijf, drijf en stuur ik het woord. Hoewel. Het is eerder andersom: het woord stuurt en drijft mij. Ik gehoorzaam. Dat is het eigenlijke punt.

Elke serieuze psycholoog zal hier zijn bedenkingen bij hebben. Ik vermoed zelfs dat ik deze bedenkingen ken. Het is allemaal een uiting van narcisme: de mens wil zichzelf zien in zijn eigen spiegel. Via woorden zoekt en boetseert hij zijn zelfportret. Zo beweegt hij zich voortdurend in zijn eigen intern circuit. Het is een soort ijdelheid die de mens gevangen houdt in de belangrijkheid van zichzelf. Het is de ‘allerindividueelste expressie’ van de ‘allerindividueelste emotie’. Om de ‘tachtigers’ nog eens te memoreren. Ik herken me daarin. Psychologen hebben hier - zoals altijd? - overschot van gelijk.

Toch hebben ze niet helemaal gelijk. Ze vergeten één ding: voor mij is schrijven spreken. Je mag zelfs zeggen preken. In mijn stille eenzaamheid ben ik altijd door mensen bewoond. Ik schrijf altijd opdat iemand het zou lezen. Eigenlijk is mijn schrijven een stil roepen. Ik open mijzelf om anderen te openen. Ik ben geen solist. Ik zing altijd in een koor. Mijn schrijven is eigenlijk het componeren van een partituur opdat wij het lied samen zouden zingen. Daarom is het naar mijn smaak geen onemanshow. Ik zie altijd mannen en vrouwen, kinderen, zieken, medebroeders, missionarissen. Ik heb altijd de luide hoop dat al deze mensen open mogen gaan. Op leven dat bevrijding is en vertroosting.

Och, eigenlijk wil ik maar één ding: ik wil ontroering delen. Dat is een groot woord. Ik weet het. Toch geloof ik dat alles geboren wordt uit en gedragen wordt door ontroering. Dat is voor mij duizendmaal meer dan sentimentaliteit. Ontroering is bewogenheid voor de genezing van de zieken, de feeling voor gerechtigheid, een dwingend pleidooi voor eerbied voor al wat leeft en kwaliteit van leven zoekt. In die zin is ontroering ook protest: handen af van het leven, maak het leven niet kapot, stop de kringloop van de wraak, stop de blinde fascinatie van de macht. Vier en versier het leven! Roep een halt toe aan de hoogmoed van het cynisme. Maar vooral: geloof in goede woorden. Woorden kunnen deugdzaam zijn. Daarom schrijf ik. Daarom ben ik een niet gefrustreerde roeper in de woestijn. Maar overdrijf die woestijn alstublieft niet.

Ik ben gelukkig… als ik het zeggen mag.

woensdag 3 oktober 2012

Stiller Spreken

Cursiefje van Frans De Maeseneer

Het is ons niet meer gegeven voor volle kerken te spreken. De kerken zijn namelijk niet meer vol. Het is allemaal anders geworden. Wij zijn ook anders geworden. Ouder en stiller. Onze stem draagt ook niet meer zo ver. Dat is allemaal waar, maar het betreft enkel de buitenkant der dingen.

Het is alsof wij stiller spreken omdat wij liever ons gehoor oefenen dan ons geluid. Het luisteren ligt ons beter omdat de waarheid ons gebiedt te zeggen dat we niet zoveel weten. Het leven heeft ons heilzame twijfel geleerd. Wij twijfelen aan wat wij vroeger onfeilbaar wisten en verkondigden. Niet dat we toen onbetrouwbare leugenaars waren. Dat niet. Maar de waarheid was toen anders. We waren toen vechters voor het grote gelijk. Theologen en predikanten deden daar duchtig aan mee. Het was ook nodig. Intussen is het gevecht om het grote gelijk geluwd. We leven nu van andere vragen.

Het heeft te maken met ouder worden. Heel zeker. Toch is er nog iets anders. Om de waarheid te vinden, moeten we over de hoge en steile drempel heen van geruchten en berichten, van informatie en actualiteit. Waarheid wordt met het stille geduld van de ascese gevonden. Je moet in diepe grond graven. En dat is een gebeuren zonder veel decibels. Het ritme van het lawaai houdt ons voortdurend op de (dans)vloer. Dat houdt mensen in beweging en geeft ons eventueel een kick. De filosofische mens zoekt evenwel een andere kick. Hij wil eureka zeggen na een lang en gestaag proces. Hij moet veel taaie aarde verplaatsen om aan te komen bij de bron.

Dat is de uiteindelijke reden waarom wij stiller spreken vandaag. Hetgeen ons zalig maakt en gelukkig en wijs, is altijd omhuld aanwezig, onontgonnen en onvoltooid. Het is au-delà des mots, de woorden voorbij. Wat mystici al lang hebben geweten. Vandaag geloven wij dat zij gelijk hadden en gelijk hebben. Ze hebben weet van wat ze niet weten. Dat is hun ‘negatieve’ boodschap. Ze waren stille sprekers omdat ze een Andere aan het Woord wilden laten.

De vraag is of wij daaraan toe zijn vandaag? En of wij geloven dat wijsheid geboren wordt uit dit pijnlijke maar helende niet-weten? Het maakt ons in ieder geval bescheiden. Het leert ons wachten op een geboorte die wijzelf niet kunnen verwekken. Het is dus een vreemde stilte die op haar uur vrede zal planten in ons gemoed.

Dan zullen we opnieuw spreken. Niet meer om problemen op te lossen. We zullen getuigen van een Aanwezigheid die waar is ondanks onze vele woorden…die ons zo hebben vermoeid. Het laatste woord zal ik niet roepen. Ik word geroepen.

Bewaar ons in deze eeuwen-nieuwe ernst.