woensdag 16 januari 2019

Wijsheid en geloof van Godfried Danneels: Zonder hoop ben je blind

Heel ons christelijke bestaan is gebouwd op het samenspel van geloof, hoop en liefde. Het geloof is het geheugen van de christen: daardoor weet hij wat hem is toegezegd. Door het geloof weet hij ook wat er met Christus is gebeurd en kent hij de kracht van diens dood en verrijzenis. Maar wat heeft de mens eraan een goed geheugen te hebben en dat alles te weten, als hij er niets mee zou kunnen doen, geen moed zou hebben om aan het werk te gaan, geen uitzicht op de toekomst? Dat precies doet de hoop. En wat zou dat alles zijn als er geen drijvende kracht en energie beschikbaar zou zijn om gelovig te weten en hoopvol te verlangen? Dat doet de liefde. Voor een christen is het geloof zijn ogen, de hoop zijn hart, de liefde zijn handen en voeten. Zonder het geloof is een christen blind, zonder de hoop verlamd, zonder de liefde dood. Al is het geloof onontbeerlijk en de liefde het voornaamst, het noodzakelijkst is de hoop. Zonder de kennis van Christus door het geloof wordt de hoop tot een ingebeelde utopie. Maar zonder de hoop vergaat het geloof; het wordt ziek en lauw, het gaat dood. Door het geloof vindt een christen de weg, maar het is de hoop die hem op die weg gaande houdt. De hoop is ‘het geloof op stap’.

Uit het boek: Een jaar met kardinaal Godfried Danneels (uitgegeven in 2009)

zondag 13 januari 2019

Agenda bijgewerkt

Bekijk onze bijgewerkte agenda op de agenda-pagina.

woensdag 9 januari 2019

Gelezen in TERTIO van 5 december 2018: “Blijven dromen van het onmogelijke”

Uit een vraaggesprek van Emmanuel Van Lierde met Andrea Riccardi

Sant’Egidio ontstond in Rome vanuit de contestatiegolf in 1968. Studenten waren getroffen door het contrast tussen geëtaleerde rijkdom en weggestoken armenbuurten. Als weerwerk wilden ze hun tijd en vriendschap delen met wie in de periferie leeft. Vijftig jaar later is er meer dan ooit nood aan die concrete solidariteit, vindt stichter Andrea Riccardi.

Andrea Riccardi (1950) stichtte in 1968 met andere studenten in Rome de Sint-Egidiusbeweging, vernoemd naar het Sant’Egidiokerkje waar de groep onderdak vond. Beroepshalve was de historicus ruim dertig jaar hoogleraar Hedendaagse geschiedenis. Daarnaast schreef de Romein met Umbrische voorouders geregeld opinies in de Italiaanse kranten. Hij publiceerde over de pausen, het katholicisme en de martelaren van de twintigste eeuw. Tussen 2011 en 2013 was hij minister voor Internationale Samenwerking en Integratie in de regering Monti. Wereldwijd wordt hij gezien als een van de gezagvolste katholieke leken. Hij ontving diverse eredoctoraten en onderscheidingen waaronder de Internationale Karelsprijs voor zijn steun aan het Europese project en het internationale vredeswerk van zijn beweging.

De politieke situatie in Italië oogt niet rooskleurig en overal in Europa neemt “nieuw rechts” toe. Hoe dienen christenen zich op te stellen tegen tendensen van uitsluiting die vaak juist in naam van de christelijke wortels van Europa geschiedt?

“We verliezen in ons continent de herinnering aan de oorlogen en we horen geregeld harde taal tussen de staats- en regeringsleiders. Oude, afschuwelijke minachting voor de ander en het praten over eigen volk en natie nemen weer toe, terwijl we dachten dat zo’n eng nationalisme definitief begraven was. Er is te weinig gedaan om de verspreiding – vooral op het internet – van gewelddadige ideeën tegen te gaan, waardoor extreem rechtse bewegingen terug konden groeien in de Europese landen. Maar in een Europa dat zijn basisprincipe en fundament haalt uit de herinnering aan Auschwitz, is xenofobe propaganda onaanvaardbaar. Christelijke gemeenschappen kunnen plaatsen zijn waar we ons herinneren dat er een gemeenschappelijke lotsbestemming is, een eenheid in verscheidenheid, plekken ook waar de menselijkheid van elke ander wordt erkend.”

In de kerk zijn er eveneens “rechtse” krachten aan het werk die bijvoorbeeld de koers van paus Franciscus bekampen en al een volgend conclaaf willen voorbereiden. Baart u dat zorgen?

“Nooit eerder in de voorbije 100 jaar botste een paus op zoveel binnenkerkelijke weerstand als Franciscus, maar ik geloof dat dat verzet juist het teken is van de verandering die hij teweegbrengt. Het toont dat zijn aanpak iets in beweging zet binnen de kerk, wat vooral bij het volk Gods gehoor vindt. De enige andere paus die zo’n sterke oppositie kende, was Paulus VI. Maar toen leefden we in een tijd van algemene contestatie en protesten die de kerk overstegen, die tegelijkertijd de samenleving aangingen. En de oppositie tegen Benedictus XVI kwam veeleer van buiten de kerk en vanuit de internationale publieke opinie. Wat het verzet betreft vanuit behoudsgezinde hoek en van hen die beweren in de traditie te staan, wens ik alleen te herhalen dat katholiek zijn betekent loyaal zijn aan de paus. Anders is je verzet ideologisch.”

Waar klassieke wegen doodlopen, schuift paus Franciscus een “diplomatie van het onmogelijke” naar voren vanuit het gebed, met gebaren en omhelzingen. Hoe is zijn charisma verwant met de prioriteiten van Sant’Egidio?

“Franciscus heeft met overtuiging en met voorbeeldige gebaren de aandacht van de kerk opnieuw gevestigd op de armen en de periferie, maar ook op de vrede, de opvang van migranten en de zorg voor de schepping. Dat zijn thema’s die ook centraal staan bij Sant’Egidio en daarom zijn we blij dat de paus er voortdurend over praat. Toen hij ons voor het eerst bezocht in 2014, noemde hij ons ‘de drie p-gemeenschap’: preghiera, poveri, pace (gebed, armen, vrede, nvdr). Ik denk dat de kerk met deze paus een geweldige kans krijgt om de relatie tussen het evangelie en de armen te heroverwegen en te beleven, juist in een tijd waarin onrechtvaardigheid groeit en waarin – om Franciscus te citeren – in de rijke landen de ‘globalisering van de onverschilligheid’ toeneemt. Paulus VI zei bij de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie dat de parabel van de barmhartige Samaritaan het spirituele paradigma van het Concilie was. Dat is jarenlang vergeten geweest, tot Franciscus dat hernam bij zijn bul ter aankondiging van het jaar van de barmhartigheid. Franciscus wijst ons terug op dat noodzakelijke medelijden en die sympathie met de wereld, waar Paulus VI eerder op had gewezen.”

Wijsheid en geloof van Godfried Danneels: Een aanbiddelijk mens

De maand januari heeft een heel eigen karakter, zeker in de kerk: het is de maand van de ‘verschijningen’ van de Heer. De maand van de Epifanie. Christus toont zich aan alle mensen als een ‘aanbiddelijk mens’ en een ‘menselijke God’. Kunnen we naar hem opkijken, om meer in hem te geloven en hem meer lief te hebben? Christus toont zich in alle mensen. Het staat zo mooi in die prachtige antifoon van het Magnificat uit de vespers van Driekoningen. ‘Drie wonderen verlenen luister aan de heilige dag die wij vieren: heden leidde een ster de Wijzen naar de kribbe; heden werd water in wijn veranderd op een bruiloftsfeest; heden wilde Christus door Joannes in de Jordaan gedoopt worden om ons te redden. Alleluja.’ Jezus heeft zich aan alle volkeren getoond in de persoon van de wijzen uit het Oosten. Hij is niet voor één enkel volk gekomen, zelfs niet voor ons westerlingen alleen: hij is gekomen voor alle mensen. Daarom is het feest van Driekoningen eigenlijk de echte missiezondag. Acht dagen later vieren we Jezus’ doopsel in de Jordaan. De Vader zegt tegen heel Israël wie hij is: zijn eigen Zoon. Hij voegt eraan toe: ‘Luister naar hem.’ De laatste openbaring is die aan de eerste leerlingen op de bruiloft van Kana. Daar toont Jezus wie hij is en ‘zijn leerlingen geloofden in hem.’ Dit evangelie gaat ook over ons: wij zijn die eerste leerlingen. Geloven ook wij in hem?

Uit het boek: Een jaar met kardinaal Godfried Danneels (uitgegeven in 2009)

Gard Vermeulen schrijft ons: Ethiopië, land met een lange geschiedenis – deel 5

Mensen in het verleden

’s Anderendaags bezocht ik het Karo volk. Naar schatting leven er maar 1500 meer van in drie dorpen. Twee tot drie keer Korbeek-Dijle in het klein. Hun aantal is enkele tientallen jaren geleden sterk achteruit gegaan toen hun vee door een epidemie is gestorven. Nu leven ze van vissen (Ze worden smalend de viseters genoemd) en van toerisme. Naar aloude gewoonten schilderen ze bij grote feesten hun lichaam in witte, of rode klei en zwarte houtskool. Vermits er in het droge seizoen vrijwel elke dag toeristen toekomen, vieren ze elke dag feest. Voor elke foto moet er wel 5 Birr (0,15 €) per persoon op de foto betaald worden. Ze dringen zich op, komen schooien om op de foto te mogen, ze tellen na en schrapen de briefjes bij elkaar. Het is natuurlijk geënsceneerd, maar het levert mooie foto’s op. Ook de Karo hebben een stierensprong, maar slechts een keer per jaar en voor vele jongelui tegelijk. Dan zijn er geen toeristen, want dan is het regenseizoen.

Gisteren, onderweg hierheen, kwam ik terecht bij een Doschenege familie. Voor een groot deel was dit bezoek vergelijkbaar met wat hierboven over de Abamaboer geschreven staat. Ditmaal ‘slechts’ met vier vrouwen op vier verschillende erven tussen de struiken, een paar honderd meter van elkaar verwijderd. In zijn hut bood de stamvader koffie aan. Ik kon er echter niet binnen, want ik ben niet echt lenig meer. Blijkbaar had zijn familie nood aan dekens om de nachtelijke winterkou aan te kunnen. Enkele reisgenoten haalden truien en slaapzakken uit en overhandigden de gaven als de drie wijzen aan het kind. Ik heb twee T-shirts gegeven, te krap voor mij, te groot voor de knapen die ze kregen. Op de groei, nietwaar! Toen we verder reden vertelde de chauffeur dat medereizigers van Koning Aap hier vijf maal per jaar allerlei cadeautjes achter laten. Ik voel me meteen een beetje voor de aap gehouden.

De Mursi zijn van oudsher half-nomaden. In het droge seizoen trekken ze het bos in, bij regentijd is de savanne hun woonplaats. Hun minieme hutten bouwen ze telkens weer opnieuw. Ze leven van hun kudde. Hun vee geeft bij leven melk en bloed en nadien vlees. Onder invloed van het toerisme veranderen er toch enige gewoonten: De mannen liepen vroeger naakt in het dorp, nu slaan ze een grote doek over hun lijf, meestal met een bermudabroekje onderaan. De vrouwen begonnen van jongs af aarden of houten schotels in hun onderlip te steken. Want het verhoogde hun schoonheid en hun huwelijksgift, zeg maar van 38 naar 42 stuks vee, door de bruidegom aan de familie van de bruid te betalen. Nu dragen alleen nog enkele oude vrouwen dit speciale sieraad. De jonge laten hun lippen ongeschonden en ze verkopen de schotels als souvenirs aan de toeristen. Andere sieraden zijn hun tatoeages met opgehaalde, maar niet gekleurde motieven, die hun heldendaden verhalen. Ik laat je een vrouw zien met lipschotel. Een schoonheid?

Week 2019-02 - Gard Ethiopië vrouw met lipschotel

Sinds kort is er een lagere school in het hoofddorp, maar waarom zou men er naar toe gaan? Men leert daar toch geen vee hoeden, noch het graasgebied verdedigen tegen de vijanden?

De toegang tot een van de dorpen is door de regering geregeld bij toerbeurt en kost 100 Birr (3 €) per persoon, fotorechten inbegrepen. We staan er met zo wat dertig toeristen tussen evenveel hutten en een verzameling kinderen van alle leeftijden.

Bij de terugkeer naar het hotel krijgen de jeeps een wasbeurt tussen camions, motoren, fietsen en hun chauffeurs. De carwashtunnel is vervangen door de rivier. Een mannetje waarschuwt om het raam te sluiten en plenst verschillende emmers water op de auto. In een andere jeep is er een misverstand en kiepert het mannetje een ganse emmer rivierwater op een reisgenote. Niet erg, alles droogt hier snel! Na tien minuten is de klus geklaard.

Vanaf morgen rijd ik in twee etappes meteen naar de hoofdstad, en een dag later vlieg ik weer naar Korbeek. Mijn vakantie zit er op. Van dertig graden in de schaduw ’s namiddags, moet ik weer naar nul graden, van droge steppe naar natte sneeuw. Tijd om me klaar te maken voor het Kerstfeest. Aan de leden van OKRA wens ik van op afstand morgen een feestelijke maaltijd. Aan iedereen nu al een zalig Kerstfeest en een gans jaar van geluk, gezondheid en welzijn.

woensdag 2 januari 2019

Gard Vermeulen schrijft ons: Ethiopië, land met een lange geschiedenis – deel 4

Mensen uit het verleden

Ik reis nu in het diepe zuiden van Ethiopië en ontmoet hier verschillende volkeren, stammen en clans. De eerste ontmoeting met enkele mensen die nog in de oude tradities leven, was met een boerengezin van het Abamavolk. Op zijn erf stonden zeven hutten van groot naar klein, één voor elk van zijn vrouwen. Bij zijn eerste vrouw, de hoofdvrouw, heeft hij elf kinderen. Samen heb ik er 28 geteld, maar waarschijnlijk heb ik fout geteld met het gestoei van de kleinen, terwijl er groten wellicht ontbraken. Vergis je niet, hij kan en mag alleen een volgende vrouw nemen als zijn eerste akkoord is. Maar hoe moet dat nu als elk van die kinderen wil huwen en een eigen boerderij moet beginnen? Er is slechts een beperkte ruimte. En de huidige boerderij brengt nu al niet genoeg op om zijn hele gezin te voeden en te kleden.

Daarna kwam ik bij de Dorze. Zij bewerken kleine perceeltjes land tussen de rotsen. Op elk van de stukjes zaaien en planten zij verschillende graansoorten, groenten en knollen door elkaar. Vermits de vrouwen het leven geven en dus het dichtst bij hun god Wakka staan, de grote levensgever, worden zij hoog vereerd. Al doen ze het meeste en het zwaarste werk; op het land en in huis. Als een vrouw meerdere dochters heeft, kan zij haar man vragen een tweede vrouw te nemen “om een broer te verwekken voor hun dochters.” Van XX en XY chromosomen hebben ze blijkbaar nog niets gehoord. Maar als er voor een vrouw de eerste kleinzoon geboren is, wordt ze ‘koningin’, ‘onaantastbaar’. Dan laat ze geen gemeenschap meer toe met haar man, en vraagt zij hem een andere vrouw te nemen om zijn seksuele verlangens te voldoen. Al klinkt dat alles vrouwonvriendelijk, toch leeft er respect voor de dames. Verkrachting is de grootste zonde, meer dan moord of diefstal. De jaargenoten van de dader graven een diepe put in het veld, buiten het dorp en duwen de zondaar er in. Verder bedelven ze hem levend. Alle jongeren van de stam moeten toekijken, als waarschuwing!

Jongens van de Dorze moeten vanaf hun twaalfde levensjaar gezamenlijk elke nacht in de gemeenschapshut, zeg maar het cultureel centrum, doorbrengen, tot aan hun trouw. De meisjes blijven netjes thuis. In die hut horen ze wel rare verhalen over het leven en over de geesten. Hier worden ze “man.” De ouderen geven wel eens informatie die niet onmiddellijk voor kinderoren bestemd is, maar je kan ook luistervinken. Verder logeren er ook de mannen van wie de vrouw bevallen is voor de volgende drie maanden. Voor de deur van hun hut ligt als een waakhond de schoonvader of een andere bloedverwant van zijn vrouw. Dat lijkt een praktisch middel voor familieplanning.

De Hamar zijn een groot volk en elke jonge man moet doorheen een rituele overgang naar volwassenheid stappen, bij voorkeur rond zijn twintigste. Pas daarna mag hij huwen. Maar… Ze moeten dat doen elk volgens eigen rang in het gezin: eerst al de zonen van de eerste vrouw, dan al de zonen van de tweede, enzovoort. Vaak staat een oudere zoon van de tweede of derde, of …vrouw te trappelen om te huwen en moeten er eerst nog jonge mannelijke kinderen van de eerste vrouw doorheen de plechtigheid. Dan moeten wel eens kleinere kinderen de ‘stierensprong’ maken. Tot voor kort was deze ceremonie op sterven na dood, maar toen kwam een Zwitser met het lumineuze idee toeristen toe te laten en te doen betalen: 600 Birr (20 €) per persoon, terwijl het gemiddeld dagloon 200 Birr is! Ik keek toe tussen zo wat 50 andere toeristen.

De plechtigheid bestaat uit twee delen. Onder luid gezang, getoeter en klingelende bellen aan de benen dansen de vrouwen in het rond. Als teken van liefde, van moed en van trouw aan hun uitverkorenen laten ze zich geselen door broers en helpers van de bijna nieuwe man. Zoals bedelaars als muggen rond toeristen zwermen, zo komen de jonge meiden (en volwassen, gehuwde vrouwen) zich opdringen aan hun beulen. Deze laatste deinzen terug. Dit is een onaangename taak. De vrouwen rukken hem het rijshout uit handen, sleuren hem mee op de dansvloer en dwingen hem te slaan, tot bloedens toe! Telkens en telkens wijken de jonge mannen terug, telkens en telkens worden ze weer door de vrouwen tot martelen gedwongen. De littekens, zo heet het, zijn erotische zeer aantrekkelijk in bed.

Voor het tweede deel loopt iedereen naar een open zandarena. Terwijl om vruchtbaarheid gebeden wordt voor de jongeman door hem te besprenkelen met melk en room, drijft men een kleine kudde koeien, ossen en stieren in de arena. De dansende vrouwen houden het vee in de kring omsingeld terwijl de jongeman poedelnaakt (neen, met één koordje schuin over de schouders) tussen de dieren gaat staan om te wennen aan elkaars geuren. Dan treedt hij even terug, gaat schuilen achter de rug van zijn beste vriend, zodat er geen onheuse foto’s kunnen gemaakt worden. De helpers trekken en sleuren aan muilen en staarten tot vijf dieren op een rij staan, zij aan zij. De anderen worden weer teruggejaagd. Nu is het aan de jonge man om zich te bewijzen. Hij neemt een aanloop, springt op het eerste dier, loopt verder over de vier andere ruggen en springt weer op de grond. Hij keert en doet hetzelfde in de andere richting. Zes maal, zonder te vallen… Zo niet wacht hem de schande en het hoongelach. Hij haalt het! De toeristen applaudisseren, de lokalen barsten uit in juichen en dansen, de beste vriend snijdt het touw door dat rond het lichaam van de held hangt en bezegelt daarmee de volwassenheid. Daarna is het tijd voor de groepsfoto. Want dit is toch zoiets als een voorstelling van oude volksgebruiken? Op de foto zie je de jongeman in volle actie.

Week 2019-01 - Gard Ethiopië stierensprong

Wijsheid en geloof van Godfried Danneels: Omdat hij ons bemint zoals we zijn

Hoe kan God ons gelukkig maken? Omdat hij ons bemint zoals we zijn. Hij is zo anders dan wij: voor hem hoeven we niet te presteren, hij fokt ons niet op tot méér dan we aankunnen. We worden er zo moedeloos van dat we, om echt bij de samenleving te horen, alles perfect moeten kunnen: gespecialiseerde diploma’s halen, uitblinken in de een of de andere sport, topmanager zijn, elk jaar meer winst maken, de Koningin Elisabeth-wedstrijd winnen door een uitmuntend stukje piano… Nee, door God wordt je bemind mét alle valse noten die je speelt, en dát maakt gelukkig. Voor hem hoef je niet op je tenen te staan. God verafschuwt niets van wat hij heeft geschapen, zegt de bijbel. De liefde van God veronderstelt niet de voortreffelijkheid van de beminde. Hij heeft ons lief met onze fouten, zelfs als we menen hem niet meer nodig te hebben. Want hij is veel groter dan al onze zonden bij elkaar.

Uit het boek: Een jaar met kardinaal Godfried Danneels (uitgegeven in 2009)