Posts tonen met het label Sint-Hubertus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sint-Hubertus. Alle posts tonen

woensdag 17 februari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 11

Lofzang van Sint-Hubertus

Komt en laat ons God gaan prijzen
in Hubertus, zijnen vriend;
laat hem dankbaarheid bewijzen,
geven d’eer die hij verdient:
want het zijn al wonder dingen
die hij hier te Leefdaal doet.
Laat ons dan zeer geestig zingen
dezen Lof met blij gemoed.
Negenhonderd jaar geleden
heeft hij hier de kerk gewijd
met veel tranen en gebeden
deze plaats gebenedijd.
Hier, op ’t leste van zijn leven,
maar zes dagen voor zijn dood,
wou hij benedictie geven
met zijn hulp in alle nood.
De relikwie zijns gebeente
die in deze kerke rust,
kostelijker als gesteente,
wordt hier ook geëerd, gekust.
Met aflaat van veertig dagen,
door den bisschop Boon verleend,
heden wordt ze rondgedragen,
komt, eert dit heilig gebeent.
Ziet den toeloop van de mensen,
’t schijnt dat ’t hert van liefde brandt;
die om troost en bijstand wensen
komen hier van allen kant:
of voor razernij der tanden
of besmette slechte kwaal.
’t Komt hier al met offerande
want ’t geneest hier allemaal.
Men vindt wel drieduizend namen,
volgens naarstig onderzoek,
van die hier in ‘t Broêrschap kwamen,
ingeschreven in den Boek.
En drie honden die wij weten,
dat bij ons gedenkenis
van kwaai beesten zijn gebeten
vonden hier bewarenis.
Gotens die van een kwaad verken
zeer gebeten razend was,
met een kar gebracht ter kerke,
binnen Leefdaal strak genas.
Twintig jaren kost g’hem vragen
hoe hij toen al was gesteld.
Hij placht hier een heyts* te dragen (*=kaars)
voor ons Sint-Hubertusbeeld.
Korbeek, Hever, twee pastoren
hadden tandpijn, zeer gekweld:
wilt van hun twee bedes horen
te zijner eer ingesteld.
Daags een Paternoster lezen
en een mis doen elk jaar,
daarmee zijn zij hier genezen
en zijn van de tandpijn klaar.
Hoeveel varkens, paarden, koeien,
and’re beesten klein en groot,
die ons dienen of ons voeren,
die verlost zijn van de dood,
door Hubertus, troost der kranken,
met een gift of met een mis.
Laat ons God daarvoor bedanken
die in hem zo wonder is.
Boven ’t altaar nu verheven
waar men zijn memorie viert,
voor zijn eer aan God gegeven,
wonderschoon en wel versierd:
ziet de jager hier gevangen,
ziet de zondaar hier bekeerd,
ziet hoe dat hij met verlangen
de gekuiste jager eert.
Ziet hem eens ootmoedig bogen,
’t woord hoort hij uit Jezus’ mond,
en die stralen uit zijn ogen
die doorboorden zijnen grond:
“Heer”, zei hij, “en wel beminde,
wat begeert Gij dat ik doe?”
“Gaat”, zei God, “Lambertus vinden
om te krijgen uwen zoen.”
Sterke jagersoog des Heren,
schiet uw stralen in ons hert
dat de zondaar mag bekeren
die daarmee getroffen werd.
O, dat zijn uw grootste werken
die Gij hier hebt ooit gedaan:
dat de zondaars uit ons kerken
zonder zonden huiswaarts gaan.
Glorie moet aan God dan wezen,
Vader, Zoon en Heil’ge Geest,
en zijn kracht en macht voor dezen,
hier en in des Hemels feest:
want Hubertus’ ziel hierboven
zit in volle majesteit,
bij God die wij willen loven
nu en in der eeuwigheid.

woensdag 10 februari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 10

Zoals aangekondigd in Kerk & leven van 9 december 2015 dat ik na de publicatie van het boekje “De St-Hubertus-Vereering te Leefdaal” van Paul Leynen wat wetenswaardigheden over Sint-Hubertus zou putten uit de databank van Johan Morris, volgen nu enkele interessante citaten uit de website van Wreed en Plezant.

Eerst en vooral toont Johan Morris er het oorspronkelijk document “Lof Sanck van S. Huybrecht” dat op 3 november 1671 in de kerk van Leefdaal werd gezongen tijdens het pastoorschap van Willem De Metser.

Johan vervolgt:

“De auteur van het lied (waarschijnlijk pastoor Willem De Metser himself, die was immers een gekend dichter en auteur van religieuze liederen) voegt er vooral enkele recente voorvallen aan toe, gekend door de 17e eeuwse Leefdaalse kerkgangers. Die moeten bewijzen dat de verering van deze heilige, ondertussen patroon van de jagers, haast onfeilbaar hondsdolheid, razernij en gelijkaardige kwalen geneest, zoals “razende tandpijn” bijvoorbeeld. Hij noemt enkele genezen dorpsgenoten bij naam, en ook pastoors van het naburige Korbeek-Dijle en Heverlee worden vermeld.”

Uit het boekje van Paul Leynen weten we (zie Kerk & leven van 20 januari 2016): “Den 13 April 1654 bracht men Hendrik Gootens, knecht in de herberg Van Espen te Voskapel*, gebonden op een kar naar de kerk van Leefdaal, waar door tusschenkomst van den H. Hubertus hij van de vallende ziekte werd verlost. Uit dankbaarheid kwam de man zijn levenlang jaarlijks op bedevaart terug om, een brandende kaars in de hand, het beeld van den heiligen in de processie te vergezellen.”

*Voskapel is/was een gehucht gelegen op de grens Everberg-Nossegem-Sterrebeek vlakbij de huidige afrit “Sterrebeek” van de E40. (Johan Morris)

Wie zou de tandpijnlijdende pastoor van Korbeek-Dijle kunnen geweest zijn?

Vermits de pastoors in het gedicht vermeld worden na Gotens (1654) mag men veronderstellen dat zij genezen werden van tandpijn tussen 1654 en 1671 (toen het lied in de kerk werd gezongen). Dan komen er drie pastoors van Korbeek-Dijle in aanmerking als de genezen tandpijnlijder: Egidius Verhulst (pastoor van 1647 tot 1656), Hieronymus Lepaige (1656-1669) en Petrus De Wever (1669-1675).

De Sint-Hubertusbroodjes werden op 3 november aan de gelovigen uitgedeeld.

Johan Morris:

“Er kwamen in Leefdaal indertijd zoveel bedevaarders op die broodjes af dat er aan de zijkant van de kerktoren speciaal een doorgeefluik werd gemaakt om ook de grote menigte te kunnen bedienen die geen plaats meer vond in de kerk. Er was tot midden vorige eeuw zelfs een bedevaartswegje dat de pastorij van Leefdaal met Kortenberg (en verder) verbond. Het werd in Leefdaal het “Senteswegske” – het paadje van de Sint – genoemd, maar is bijna helemaal verdwenen door de vele verkavelingen. Alleen de verbinding tussen pastorij (nu parochiezaal) en L. Van Buekenhoudtstraat schiet nog over, amper 150 meter.”

Volgende week volgt de integrale tekst (in hedendaags Nederlands) van de “Lofzang van Sint-Hubertus”. Op de website van Wreed en Plezant vind je de partituur en de instrumentale versie van het lied.

woensdag 3 februari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 9

door Paul Leynen

De nieuwe aanwinst prijkte slechts een paar jaren op het hoogaltaar. Omwille van den Devolutie-oorlog drongen de Fransche legers eens te meer in Brabant (1667) en voorzichtigheidshalve werd het werk van De Craeyer afgenomen, opgerold en, samen met andere kostbaarheden der kerk, naar de besloten stad Leuven gevoerd. Welnu in dien zelfden tijd had meester Jacques van der Schueren, voor 800 guldens, aangenomen een nieuw en monumenteel hoogaltaar te ontwerpen en uit te voeren voor de kerk van Leefdaal. Om in dit werk te kunnen worden opgenomen onderging de schilderij aanpassingen van wege meester Van Brempt, te Brussel. Zij was eerst vierkant en werd nu aan het bovenste gedeelte vergroot in vorm van halve cirkel. Aldus kon zij van in de maand Juni 1669 de plaats innemen die zij heden nog zoo prachtig vult in het hoogaltaar. Dit pronkstuk van den Barokstijl werd toen ook in zijn frontispice versierd met de beelden der aartsengelen Michaël en Gabriël van de hand der Quellijns.

Meermaals werd de schilderij van De Craeyer uit zijn raam genomen uit rede van zekerheid, tijdens de oorlogen die, in het laatste kwart der 17e en in de eerste jaren der 18e eeuwen, ons land zoo hard teisterden. In 1674 bleef het aldus eenigen tijd bewaard in de kerk van het Begijnhof te Leuven. Gedurende zulke afwezigheden werd dan het leeggelaten vak met de oude afgedankte Sint Hubertus-schilderij ingenomen. Van de vele vluchten had het groot doek natuurlijk veel geleden; ook werd het reeds vroeg gerestaureerd en bijgeschilderd (o.m. in 1706 door Laureis van Mighem, Leuven, in 1746 door meester Dancket).

Vooraleer relikwies van den H.Hubertus te Leefdaal werden ingehuldigd en vereerd, werd er in de kerk aldaar een beeld van den heiligen uitgesteld. Zulk houten en gepolychromeerd beeld, uit 1595, steeds met een rijken mantel overdekt, werd in 1750 vervangen door een nieuwe afbeelding (uitgevoerd door den beeldsnijder Moons, van Brussel) thans nog in de kerk bewaard. Een Sint Hubertus beeldje prijkte nog op den makelaar der kerkdeur in 1645 onder den toren geplaatst.

Vermelden wij nog dat de inkomsten van het Sint-Hubertusoffer voor een groot deel bijdroegen tot den aankoop in 1649, voor 630 Rijnsche guldens, van een zilveren remonstrans en even later van het zilveren relikwiekasje van Sint Hubertus, beide kunstwerken door Laureis Wynants, van Leuven, vervaardigd; naar het pastoreel archief, werd dit relikwieschrijn geplaatst aan den kant van het Evangelie op het hoogaltaar, achter een rechthoekig paneel.

Voorts hebben zij insgelijks de kosten gedekt der belangrijke vernieuwingswerken in de kerk ondernomen in het midden der XVIIIe eeuw: het spannen van een nieuw plafond, het plaatsen van de zijaltaren en, in koor en zijbeuken, van de eiken wandbekleeding in sierlijken Lodewijk XV-stijl, waaraan het innere der kerk van Leefdaal, heden nog, zijn voornaam en stemmig uitzicht te danken heeft.

De godsvrucht tot den H.Hubertus sedert eeuwen ontstaan en onderhouden, de volksche gebruiken en tradities die ermee gepaard gingen vormen, samen met de kunstschatten uit het verleden, een kostbaar erfgoed dat Leefdaal niet mag verwaarloozen noch te loor laten gaan.

Dit werkje heeft, zoo hopen wij toch, al wat de vorige geslachten ons op dat gebied hebben nagelaten in beter licht gesteld. Waarom dit erfdeel dan ook niet naar waarde schatten en, als deel van eigen aard en zeden, in eere houden?

Vossem, Maart 1945.

woensdag 27 januari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 8

door Paul Leynen
SINT HUBERTUS EN DE PAROCHIEKERK
Naar een overlevering, door geen geschiedkundige gronden gestaafd, zou de H.Hubertus in persoon de eerste kerk van Leefdaal hebben komen toewijden aan den H.Lambertus, zijn voorganger op den bisschoppelijken zetel. Het patronaat der kerk van Leefdaal werd in 1120 vergund aan de abdij van Affligem, die toen reeds uitgestrekt grondbezit in de parochie had verworven.
De huidige kerk werd in de XIe of XIIe eeuw opgetrokken in den typischen romaanschen stijl die de eeuwenoude kerken der Voervallei (Heverlee, Bertem, Sinte-Verone, Vossem) kenmerken. Doch, in den loop der tijden onderging het gebouw vele en grondige veranderingen. Alleen de massieve voet van den toren kan nog door iedereen worden erkend als van het primitieve tijdperk.
In het koor der kerk (dat naar den H.Hubertus werd genaamd) stond een Sint-Hubertus altaar. Daarvan getuigen de kerkrekeningen uit het begin der XVIe eeuw. Dit verklaart waarom een groot deel van het Sint-Hubertusoffer steeds werd besteed aan het verfraaien en verrijken van het koor. In 1535 ondernam men er belangrijke werken aan het gewelf en aan het instellen van nieuwe ramen. Een eeuw later stelde men er een gestoelte, vervaardigd door meester Jan Zeelander, van Brussel (1642). Een oksaal werd, mits uitbreken van een boog in den muur, aangebracht boven de sakristij (1649) met een nieuw orgel. Meester Franciscus van de Velde bekleedde de wanden mijn schrijnhouten schutsels en paneelen (1652) en sloot het koor af met een communiebank (1662). Ondertusschen was het koor nog geplaveid geworden.
Op het hoogaltaar plaatste men in 1614 een kostbaar tafereel geschenk van jonker Jan-Baptist de Spoelberch. Dit kunstwerk, in 1620 geschilderd en verguld, werd vernield in 1637 tijdens een inval der Fransche troepen, die toen in ons land tegen Spanje oorlog voerden. In vervanging werd een schilderij met betrekking op den H.Hubertus besteld bij Wouter van Gheel, die terzelfdertijd twee andere kleinere werken leverde: de kerkwijding van Leefdaal door den H.Hubertus en de mirakelen van den heiligen te Leefdaal voorstellend.
Vijf en twintig jaren later verdween het doek van het hoogaltaar. Den 23 Januari 1662 kocht men in het werkhuis van den vermaarden kunstschilder Jasper de Craeyer een voorstelling der bekeering van Sint Hubertus, voor 163 guldens, inbegrepen de koster eener kist. Het werk stelt de H.Hubertus voor in de volle fleur der jeugd en in een rijk gewaad gestoken, geknield voor het hert met glanzend kruis tusschen het gewei dat hij in zijn jachtpartij komt te ontmoeten; honden en een paard omringen den bekeerling. Het kunstwerk, op eenige varianten na, is de trouwe weergave eener “Sint Hubertus’bekeering” van de hand van denzelfden meester, bewaard in de Sint-Jacobskerk te Leuven.
(wordt vervolgd)

woensdag 20 januari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 7

door Paul Leynen
GENEZINGEN EN “MIRAKELEN”
Van in de eerste jaren der 17e eeuw was Leefdaal een druk bezocht bedevaartsoord geworden waar men Sint Hubertus met vertrouwen mocht aanroepen tegen razernij, vallende ziekte, tandpijn, kwalen van het vee, enz. Het register van de broederschap heeft zorgvuldig alle gevallen opgeteekend die onder aanroeping van den H.Hubertus werden behandeld en een gunstigen uitslag behaalden. Tusschen de jaren 1639 en 1679 staan aldus driehonderd en dertig bijzondere genezingen vermeld. Mannen, vrouwen en kinderen, ja zelfs beesten, die door een razenden hond waren gebeten werden naar Leefdaal gebracht. De gebeten personen gingen te biechten, ontvingen de H.Communie, hun wonde werd met den gloeienden Sint-Hubertus-sleutel uitgebrand en met de relikwies van den heiligen aangeraakt. Gewoonlijk deden zij zich inschrijven in de broederschap en offerden ter eere van den patroon. Vele pachters uit de naburige dorpen kwamen soms met hun veestapel naar Leefdaal en deden er hun dieren met den sleutel brandmerken.
Uit de aangehaalde gevallen willen wij er hier twee eigenaardige verhalen. De 13 April 1654 bracht men Hendrik Gootens, knecht in de herberg Van Espen te Voskapel, gebonden op een kar naar de kerk van Leefdaal, waar door tusschenkomst van den H.Hubertus hij van de vallende ziekte werd verlost. Uit dankbaarheid kwam de man zijn levenlang jaarlijks op bedevaart terug om, een brandende kaars in de hand, het beeld van den heiligen in de processie te vergezellen “tot verwekking van meerdere devotie van de pelgrims”; te dier gelegenheid werd hij telkens met zijn vrouw op den last van het Sint-Huibrechtsoffer in de herberg vrij ontvangen. Andermaal, in 1662, had Willem Keyaerts, drossaard van Leefdaal, een mis doen opdragen ter eere van Sint Hubertus om de genezing van zijn beste paard. En zie, zoodra was het misoffer volbracht, of daar stond het dier springlevend in den stal. De dankbare pachter schonk twaalf guldens tot het verrijken van het zilveren relikwieschrijntje van den heiligen.
(wordt vervolgd)

woensdag 13 januari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 6

door Paul Leynen

OUDE GEBRUIKEN
Het overschot van het rondgehaalde graan werd in de kerk gezolderd boven de doopvont en ten gepaste tijde door den molenaar van Leefdaal gemalen en voor rekening der kerk verkocht. Daarvoor werd hij op Sint-Huibrechtsdag of ’s Zondags erna door de kerkmeesters in de herberg “met spijs en drank” bedankt, samen met den graaninhaalder en de kosters uit den omtrek die onder de geestelijke diensten hadden gezongen. De vreemde priesters en de predikant waren te gaste op de pastoorij. Vanaf 1597 ontvingen de molenaars die een Sint-Huibrechtsbuidel hadden ten offer uitgehangen, een mooi mes, geschenk dat even later altijd werd versierd met een gerijmd opschrift en een jachthoorn; wanneer zij ter bedevaart naar Leefdaal kwamen, werden zij met hun familie in de herberg getrakteerd.
Zooals in alle bedevaartplaatsen werden te Leefdaal beeldjes van den H.Hubertus verkocht met een korte levensschets van den heiligen en een gebed. De gewoonte vond ingang op het einde der 16e eeuw; twee honderd jaren lang werden zij steeds besteld en gedrukt in “’t Groen Cruys” te Leuven. (In 1585 bestelde men twaalf dozijnen, in 1595 veertig dozijnen, in 1643 honderd en tien dozijnen, in 1665 honderd en tachtig.) Men vond er ook vaantjes (1648), tinnen Sint-Hubertus beeldjes (1635) en zelfs, zeker voor de rijke bedevaarders, zilveren jachthoorntjes (b.v. in 1658 drie dozijnen).
De devotie tot den H.Hubertus groeide te Leefdaal merkelijk aan nadat er in 1645 relikwies van den heiligen ter vereering werden uitgesteld in de parochiekerk.
Pastoor Guilliam de Metser verkreeg enkele fragmenten van het gebeente van den heiligen uit handen van Jozef Naveus, professor in de wijsbegeerte aan het Seminarie van Luik, en wel door toedoen van den capucien Karel van Arenberg, broeder van den hertog van Aarschot. Naveus hield de relikwies van Jan Bommerschomme en diens zuster Adriana, wien ze te beurt gevallen waren in de nalatenschap van hun oom Hendrik van den Berghe, deken der kerk van de H.Drievuldigheid en van Allerheiligen te Spiers (Palatinaat of Paltsgraafschap). Onder bijzijn van een groote menigte werden de vereerde overblijfsels, ietwat voor Paschen 1645, op de grens der parochie aan de kapel van Puttebosch plechtig ontvangen. Zij werden processiegewijs naar de parochiekerk gedragen waar een luisterrijke inhuldigingsplechtigheid met gelegenheidssermoen plaats had.
Door akte van 10 April 1645 heeft de Aartsbisschop van Mechelen, Jan Boonen, de relikwies van den H.Hubertus in de kerk van Leefdaal bewaard als echt en waar verklaard en aan de openbare vereering aanbevolen, een aflaat van veertig dagen eraan verbindend voor alwie ze devotelijk vereeren zou. Later hebben kardinaal Jan van Frankenberg (1780) en kardinaal van Méan (1828) de echtheid der relikwies bevestigd.
Pauselijke brieven van 1695 en 1711 hebben aan de gewone voorwaarden den vollen aflaat vergund in de kerk van Leefdaal op den feestdag van Sint Hubertus en ’s Zondags daaropvolgend.
(wordt vervolgd)

woensdag 6 januari 2016

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 5

door Paul Leynen

DE OFFERANDEN
De devotie tot Sint Hubertus ging gepaard met offeren van hanen, kiekens, kaas en boter, vleesch en eieren; die offeranden werden vervolgens openbaar aan de meestbiedende verkocht door de kerkmeesters tijdens een daartoe op het kerkhof gehouden koopdag. Meestal en gewoonlijk nochtans waren het giften van geld en offers van graan en meel die ingezameld werden.
Zoowel de talrijke bedevaarders als de ingezetenen van Leefdaal en omgeving waren vrijgevig. Zij bezorgden aldus aan de kerk belangrijke inkomsten die konden aangewend worden om de godsdienstige plechtigheden op te luisteren, de kerk te verfraaien, rijkere gewaden, kostbare ornamenten en kunststukken aan te schaffen. De schilderij van Sint Hubertus’bekeering door Jasper de Crayer, de zilveren en gulden remonstrans door Laureis Wynants, het hoogaltaar, meesterwerk van Jacques van der Schueren, moet men heden nog bewonderen als getuigen der devotie onzer voorouders.
Een eigenaardige manier van offeren was te Leefdaal het Sint Hubertus’ meel- of graanoffer, trouwens ook te Wakkerzeel gekend. In de molens van de streek hing men, vanwege de kerk van Leefdaal, een zak waarop een jachthoorn afgebeeld stond. De menschen die ter molen kwamen schonken hierin een schupje van hun voorraad; zij werden tot zulk offeren aangewakkerd door naïeve propagandamiddelen, b.v. de mooie beelden van den heiligen die in de molens boven de zakken werd geplaatst. Van in de 16e eeuw werd steeds een “inhaalder” uitgezonden om de dorpen af te loopen, er de graanoffers te ontvangen, en de molenaars en de goede lieden aan te sporen den Sint-Huibrechtsbuidel van Leefdaal niet te vergeten. Hij verdiende daarmee een vast salaris of liever een percentage van het ingebrachte graan en meel.
Omtrent het einde der XVIe eeuw trof men den zak van Leefdaal aan in de molens van Bertem, Sinte-Verone, Neerijsche, Sinte-Agatha-Rode, Huldenberg, Erps, Waver. Later, in 1636 b.v., was er verder ook nog een aanwezig in de molens van Oppem, Wezembeek, Zaventem, Nossegem, Okkerzeel, Kortenberg, Everberg, Meerbeek, Winksele, Veltem, Korbeek-Dijle, Oud-Heverlee, Bierbeek, Weert, Ottenburg, Duisburg. Enkele jaren nadien, te Vertijk, Lasne, Neerwaver en insgelijks in de molens der kloosters van Florival en Hertogendal. In de 18e eeuw ging de inhaalder ook aankloppen bij sommige universitaire colleges te Leuven.
Het totaal graanoffer bedroeg tusschen vier en vijf Leuvensche mudden in de laatste jaren der 16e eeuw, negen mudden in 1605. (Eén Leuvensch mud is gelijk aan twee honderd veertig liter.) Gedurende de 18e eeuw vertegenwoordigde het een waarde van tweehonderd vijftig tot driehonderd guldens.
Een deel van het geofferde graan werd gemalen om Sint-Hubertusbroodjes te bakken tegen den feestdag van den heilgen. Die broodjes werden dien dag gewijd en door de kerkmeesters op het kerkhof verkocht. De leden der Sint-Hubertus-broederschap alsook de voornaamste weldoeners der parochiekerk ontvingen er kosteloos. Men kan den volkstoeloop te Leefdaal eenigzins toetsen aan de hoeveelheid graan die tot het vervaardigen der broodjes werd gemalen: b.v. in 1539: twee halsters; in 1602 zestien halsters; in 1620 vier en zestig; in 1705 (oorlog) vijf halsters; in 1723 acht en twintig; in 1829 twee duizend en veertig broodjes, aan drie voor 5 cents. (Eén Leuvensche halster is gelijk aan 30 liter.)

woensdag 30 december 2015

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 4

door Paul Leynen

DE FEESTDAG VAN DEN H.HUBERTUS
Den 3 November van ieder jaar en den Zondag daaropvolgend kende Leefdaal een groote toeloop van bedevaarders. Op den feestdag begon de eerste mis te 7 uur, waarna de broodwijding. Te 8, 9 en 11 u 30 werden nog missen gelezen en te 10 uur de hoogmis gezongen. Het lof had ’s namiddags te 3 uur plaats. Tijdens de godsdienstige plechtigheden weergalmde jachthoorngeschal onder het kerkgewelf. De pastoor en onderpastoor van Leefdaal konden dan aan de taak niet voldoen en daarom werden zij door de pastoors uit de naburige parochies geholpen, of, konden zij niet uit rede van hun parochieplichten, door priesters uit Leuven. Een vreemde predikant kwam er ook voor de gelegenheid. Deze priesters hoorden de biecht der talrijke pelgrims.
De plechtigheden werden nog opgeluisterd door de zang en de muziek waarvoor de kosters uit de omliggende parochies zorgden. Een tijdlang gaf de kerk van Vossem gewaad en ornamenten in bruikleen. De volkstoeloop ter gelegenheid der Sint-Hubertusfeesten lokte kramers, volkszangers, foorlieden naar Leefdaal en gaf aldus oorsprong aan de kermis die heden nog trouw wordt gevierd zooals weleer.
(wordt vervolgd)

woensdag 23 december 2015

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 3

door Paul Leynen

DEVOTIE TOT SINT HUBERTUS TE LEEFDAAL
Te Leefdaal klimt de vereering van Sint Hubertus ver op in het verdeden. Heeft de heilige bisschop er, volgens een overlevering, de kerk niet komen toewijden aan zijn voorganger? Is hij er waarschijnlijk niet meermaals voorbijgereisd als hij zich langs het Voerdal naar Tervuren begaf, zooals bij zijn laatste tocht?
Over die devotie hebben wij, dankzij de welwillende toelating van den E.H. De Schutter, pastoor van Leefdaal, uit het plaatselijk archief der pastorij een reeks interessante gegevens kunnen opdelven. De rijkste bron is voorzeker de verzameling der rekeningen van pastoor en kerkmeesters uit de 16e, 17e en 18e eeuwen, meer bepaald de aanteekeningen aangaande de Sint Hubertus-offers en de Sint Hubertus-lasten. Enkele andere stukken, zooals aflaatbrieven, brieven van echtverklaring der relikwies, enz., leverden aanvullende inlichtingen, alsmede de inhoud van het register der Sint-Hubertus-broederschap.
DE BROEDERSCHAP

Men moet aannemen dat in het begin der XVIe eeuw de bijzondere vereering van Sint Hubertus in de kerk van Leefdaal reeds vast was ingeburgerd. Toen bloeide er een Broederschap van Sint Hubertus. Haar leden, zoowel mannen als vrouwen, werden de verdiensten deelachtig der missen op 3 November en op elken Donderdag in de kerk opgedragen alsmede van den zieledienst met vigiliën ’s daags na Sinter-Huibrechts feest. De wekelijksche mis, in de XVIIe eeuw door het luiden der groote klok aangekondigd, werd in 1646 van den Donderdag op den Dinsdag verschoven. De rede was de instelling alsdan eener plechtige mis ter intentie der nieuw gestichte broederschap van het H. Sacrament. De wekelijksche Sint Hubertus-mis, over honderd jaren nog steeds in eer, wordt thans niet meer gecelebreerd. De Broederschap echter bestaat nog.
Volgens de standregels der broederschap, zooals zij te Leefdaal in 1638 werden uitgevaardigd, moesten de leden hun patroon met ijver vereeren en door milde offers bijdragen tot het onderhoud en den luister der wekelijksche Sint Hubertus-mis; meer bepaald was van hen een zilveren offerpenning verwacht op den feestdag van den patroon, ten einde de devotie te bevorderen. Daarbij waren zij nog gehouden te bidden opdat hun medebroeders en –zusters naar ziel en lichaam zouden welvaren en opdat zij van razende ziekten zouden bevrijd blijven of genezen worden.
In de 17e eeuw kwam de broederschap, samen met de devotie tot den patroon, tot een grooteren opbloei te Leefdaal. Tusschen de jaren 1639 en 1679 werden er bij de drie duizend zes honderd leden in opgenomen, waartusschen men aanzienlijke families met hun knechten en meiden, en geheele kloostergemeenten aantrof.

woensdag 16 december 2015

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal–deel 2

door Paul Leynen

ONTSTAAN EN ONTWIKKELING DER VEREERING TOT SINT HUBERTUS

Alras werd het lijk overgevoerd naar Luik, waar Hubertus den bisschoppelijken zetel had gevestigd, en aldaar in de Sint-Pieterskerk begraven. Het volk dat in zijn herder reeds lang een ware heilige had ontwaard, kwam hem op zijn graf vereeren en schreef vele mirakelen toe aan zijn tusschenkomst. Op den 3 November 743 werd het stoffelijk overschot van den heiligen gaaf en ongeschonden uit het graf genomen en tot openbare vereering uitgesteld. Het werd later (825) overgebracht naar het klooster van Andain in de Ardennen, waar de devotie zich ontwikkelde en toenam, groote toeloop van bedevaarders verwekkend. Van dien tijd werd er de H.Hubertus ook aanroepen als patroon der jagers.

Door de eeuwen heen werd de plaats aldus druk bezocht, zoodat zij uitgroeide tot een belangrijk centrum: de stad Saint-Hubert. In 1568 werd er de abdij door de Calvinisten vernield en het vereerd overblijfsel verdween in de ramp. Na enkele jaren kwamen nochtans relikwies van den H.Hubertus te voorschijn en werden met kerkelijke goedkeuring ter openbare vereering uitgesteld in sommige kerken als b.v. te Elewijt en te Leefdaal. Want niet alleen te Saint-Hubert, ook in vele steden en dorpen zoowel in Wallonië als in Brabant en Vlaanderen had zich de Sint Hubertusdevotie, in een min of meer breederen kring, gevestigd en verspreid.

Van in de XIVe en XVe eeuwen werden er overal broederschappen van Sint Hubertus gesticht, die er toe bijdroegen de vereering tot den patroon hoog te houden en uit te breiden. Bij de zeventig kerken zijn nu nog en sedert eeuwen in ons land aan den heiligen toegewijd.

Naar die kerken of kapellen, waar de heilige bijzonder werd aanroepen of waar hij zijn tusschenkomst door mirakelen had veropenbaard, stroomden de bedevaarders toe. Zij kwamen er om neuvenen te bidden, om er, bijzonder op 3 November feestdag van Sint Hubertus, gewijde broodjes, beeldjes, medailles, jachthoorntjes, enz. te verkrijgen tot vrijwaring van ziekten en kwalen*; buitenlieden kwamen er om hun dieren met den Sint-Hubertussleutel te laten branden, als verweer- of geneesmiddel tegen de razernij. Vermelden wij slechts voor Brabant volgende bedevaartsoorden tot Sint Hubertus: Brussel (O.-L.-V. van den Zavel en kapel van het godshuis der H.Drievuldigheid), Buizingen, Sint-Ulriks-kapel, Elewijt, Leefdaal, O.-L.-V.-Lombeek, Tervuren, Wakkerzeel**.

(wordt vervolgd)

*De man die in Leefdaal de Sint-Hubertusbroodjes uitdeelde op 3 november was door die activiteit algemeen gekend als “Broeëke”. Ludovicus Laes (Broeëke) (°Everberg 1869) was getrouwd met Elisabeth Janssens (°Leefdaal 1868). Broeëke en zijn vrouw woonden rechtover het gemeentehuis in Leefdaal. Broeëke heeft nog afstammelingen wonen in Leefdaal: een kleindochter, Angèle Laes (Angèle va Bère va Broeëke) en een achterkleinzoon, Roland Laes (kleinzoon van Jef va Broeëke).

**Ook Schaffen, waar mijn oom Henri Letellier kantonnier geweest is, heeft Sint-Hubertus als patroonheilige.

woensdag 9 december 2015

De Sint-Hubertus-Vereering te Leefdaal - deel 1

Onder deze titel publiceerde Paul Leynen uit Vossem in 1945 een boekje van 14 bladzijden over Sint-Hubertus, de tweede patroonheilige van Leefdaal. Ik heb dat boekje gevonden in de bibliotheek van de Heemkundige Kring van Huldenberg in het Huis Ter Dijle in Sint-Agatha-Rode. Ik wil het integraal publiceren in Kerk & leven in een achttal bijdragen en in de oorspronkelijke “oude” spelling. Daarna zal ik nog wat wetenswaardigheden putten over Sint-Hubertus uit de databank van Johan Morris.

De vereering van den H.Hubertus is wel een der oudste en populairste van ons land. Thans zooals weleer wordt die volksheilige met dankbaarheid en vertrouwen aanroepen als apostel onzer heidensche voorouders en als machtige wonderdoener die, in zijn leven en meer nog na zijn dood, zoovelen naar ziel en lichaam heeft geholpen; immers, hij is meer bijzonder de behoeder tegen de razernij gebleken.

LEVENSCHETS VAN DEN H.HUBERTUS

Omstreeks het jaar 655 geboren uit de hertogelijke familie van Aquitanië, kwam Hubertus na een woelige jeugd tot inkeer. Hij werd de vrome leerling van de H.Lambertus, bisschop van Maastricht, en tevens zijn ijverige medewerker in het bekeeringswerk. In 705 volgde hij Lambertus, na diens marteldood, op als bisschop en begaf zich denkelijk naar Rome om er de wijding te ontvangen. Hubertus oefende zijn apostolaat uit in alle streken van zijn bisdom dat toen de Ardennen en een groot deel van Brabant en der Kempen omsloot.

Oude schrijvers hebben van het vruchtbaar en godsvruchtig leven van den heiligen een verhaal nagelaten met fraaie legenden doorweven. Zij vertellen hoe Hubertus, toen reeds een bejaard man, zich de vingers erg kwetste waardoor hij aan etterwonden te lijden had; hoe hij desniettegenstaande zijn bisschoppelijke zending en zijn vele bedrijvigheden bleef doorzetten. Zoo antwoordde hij dan ook gunstig op het verzoek der inwoners, vermoedelijk van Heverlee, om hun kerk te komen wijden. Hij kwam er de plechtigheid voltrekken en predikte drie uren lang tot het volk. Zich daarna niet wel voelend, besloot hij zich naar Tervuren te begeven, waar, volgens alle waarschijnlijkheid, hij een landhoeve bezat. Met zijn gezellen vertrok hij langs de Voer stroomopwaarts op een vlot tot Leefdaal, werd hier door hevige koorts overvallen en kon met moeite te paard naar Tervuren geleid worden. Hier stierf Hubertus den 30 Mei 727 na zes dagen lang diepe pijn en vele kwellingen van den duivel te hebben doorstaan.

(wordt vervolgd)

Cyriel Letellier