woensdag 1 september 2010

Over drijfveren, overtuigingen en ideeën

(Gelezen In Tertio Van 11 Augustus 2010)
Uit een interview van Lucette Verboven en Jan De Volder met drie Vandenberghe’s: Hugo, negentien jaar senator voor CVP/CD&V, Paul, directeur van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen, en Bogdan, algemeen secretaris van 11.11.11, de koepel van Vlaamse ontwikkelongsorganisaties.
Is stervensbegeleiding vanuit spiritueel oogpunt aan te bevelen?
Paul: “Dat ziet er een mooie vraag uit, voor iemand uit de palliatieve zorg. Maar we houden niet van het woord stervensbegeleiding, omdat palliatieve zorg veel meer omvat. Het gaat om goed leven tot het einde, hoe zich dat ook aandient. Een van de gebeden van de oude liturgie zei: ‘Van de plotselinge dood, verlos ons, Heer’. Terwijl veel mensen vandaag eerder zouden zeggen dat ze een plotse dood, zoals in een verkeersongeval, zouden verkiezen boven een dodelijke ziekte. Dat toont aan hoe het levensgevoel verandert. Persoonlijk zou ik liever de dood met open ogen tegemoet kunnen zien en in volle bewustzijn afscheid kunnen nemen van het leven. Je hebt het natuurlijk niet altijd voor het kiezen, er kan soms een comateuze of subcomateuze toestand intreden voor het sterven. En wie weet hoe ik er tegen aankijk als het zover is. Ook voor het rouwverwerkingsproces bij diegenen die achterblijven is een plotse dood niet altijd te verkiezen.
Voor de palliatieve hulpverlener is het belangrijk te begrijpen dat ‘ieder zijn eigen dood sterft’, zoals Rainer Maria Rilke zei. Als een hulpverlener iets moet doen, naast het comfort bewerken van de palliatieve patiënt, dan is het mogelijk maken dat de patiënt de dood kan sterven die bij diens leven past, niet bij het onze. Sterven in volle luciditeit, of zonder de dood die eraan komt te willen kennen, verzoend en omringd door geliefden, net zo goed als bitter en eenzaam vechtend tot het einde. Het is de patiënt naar wie we willen luisteren.”
Wie aan deze tafel brengt het het snelst tot heiligheid?
Hugo: “Zouden heiligheid en politiek verzoenbaar zijn? Thomas Morus, de patroon van de politici, bewijst alvast van wel. Maar je mag het begrip heiligheid niet verwarren met de verheffing ‘tot de eer der altaren’. Er is ook Allerheiligen: dat feest wijst op de intuïtie dat er in het werkelijke leven veel heiligen zijn. Je zou ervan versteld staan hoeveel opofferingsgezindheid er bestaat, of hoe mensen zich toch laten leiden door een hogere gedachte, zoals de solidariteit. Heiligheid heeft vele facetten: denk maar aan mensen die zich inzetten in rusthuizen bijvoorbeeld.”
Met welke religie voel je je het meest verbonden?
Bogdan: “Ik ben zelf niet gelovig, ik was een tijdje leraar zedenleer. Maar het lijkt me evident dat ik me het meest verbonden voel met het christendom: dat heeft zo onze cultuur doordrengt dat je wel iets van het christendom moet weten om onze samenleving te begrijpen. En vooral in het zuiden heb ik de kracht die het christelijke geloof aan mensen geeft leren waarderen.”
Paul: “Ik geloof niet dat het christendom superieur zou zijn aan bijvoorbeeld het jodendom of de islam, of andere spirituele tradities die ik niet genoeg ken. Maar ook na twintig eeuwen hebben wij nog altijd niet volledig doordacht, en vooral niet voldoende doorleefd wat het betekent dat het goddelijke de gedaante van een mens heeft aangenomen. Het kleinste gebaar aan de eenvoudigste mens, verstoten, uitgebuit, ziek of stervend, dat is ‘goddelijk’ werk.”

Quote van de week

(Gelezen In Tertio Van 11 Augustus 2010)
“Vandaag is er een grote kuis bezig in de kerk, en ik denk dat we verder moeten gaan. Als er een parlementaire commissie komt om kindermisbruik te onderzoeken, vind ik dat die zich niet mag beperken tot de kerk.”
Gynaecologe en senator voor de SP.A Marleen Temmerman in Knack van 4 augustus.

Opnieuw beginnen

Een opkikkertje van Hedwig Van Peteghem
Voor velen is de vakantie voorbij. Spijtig of niet: we moeten er terug aan beginnen. Een nieuwe start veronderstelt verse moed en frisse ideeën. De vrije tijd heeft ons wat rust gebracht, ook al moesten we vaak snel zijn om totaal te onthaasten.
Het zou alleszins droevig zijn als we van het begin af al start- of sleepkabels zouden nodig hebben. Daarom is het niet slecht even een groot nazicht te houden. Is er nog voldoende olie zodat alles geruime tijd gesmeerd kan lopen? Waar halen we de soepelheid in onze relaties met medemensen? Ik ben er vast van overtuigd dat we die olie niet zelf maken. We krijgen ze… van mensen die geduld hebben met ons en tijd voor ons maken. Het is ook belangrijk de lichten na te kijken, zodanig dat we onze weg in het donker vinden. Maar welke lichten gebruiken we als we in het leven van alledag de weg niet meer vinden? Ik ben er nogal zeker van dat we er zelf niet voor zorgen. Ook dat zijn geschenken, die ons gratis worden aangeboden. En hoe zit het met de batterij? Is ze voldoende opgeladen? Waar halen we de energie om voor anderen iets te betekenen? Zeker niet uit onszelf. Het zou toch niet mogen. En tenslotte is het belangrijk regelmatig te gaan tanken, zodat we weer een eind verder kunnen.
Maar ge moogt gerust zijn. Er staan heel wat mensen voor je klaar - meer dan je vermoedt. En voor wie het geloven wil: er is meer. De diepste kracht van het leven, God, die de stuwkracht van de lente is en ons over het muurtje van het negatieve heen helpt: met die kracht kan je zuiver van start gaan.

Doordenkertjes Om Bij Te Glimlachen

Wat gebeurt er als een man tot zijn navel in het water staat? Dat gaat zijn verstand te boven.

Leerkracht: Veel te sterk woord voor onderwijzer.

Geef mij maar een joint, zei de goudvis. Dan word ik haai.

Van sommige mensen kan ik niet begrijpen dat ze van miljoenen zaadjes de snelste zijn geweest.

Ik heb een mooi figuur geslagen. Ze sloeg terug.

Het voordeel van een bezoek aan de huidarts is dat je de uitslag hebt vóór het onderzoek.

Het leven is als een neus, je moet eruit halen wat erin zit.

Deze honing heeft een bijsmaak.

Een God, Drie Religies – Deel 15

Het altaar is een verhoogde plaats, bedoeld om een god offers te brengen en hem te aanbidden. Altaren ontstonden op plekken waarvan omwonenden geloofden dat ze bewoond werden door geesten en goden. Om hen gunstig te stemmen brachten de gelovigen hen geschenken, offers, die ze op het altaar plaatsten.
Aanvankelijk was een altaar niet veel meer dan een paar stenen. Maar toen mensen tempels gingen bouwen als huis voor de goden werd ook het altaar veel mooier. Meestal bestond het uit een rechthoekige steen, soms liggend met een uitholling, zoals in het antieke Israël, soms rechtop, zoals in het antieke Egypte. De Grieken en Romeinen bouwden hun altaren bijna overal, bij hun eigen huis, in of voor tempels en op heilige plaatsen in de natuur.
De eerste christenen kenden geen altaar. Voor de avondsmaaltafel kwam het Latijnse woord ‘altare’ in gebruik. De herkomst van dit woord is niet helemaal duidelijk, maar de geleerden houden het er op dat het verwijst naar het branden van offers. Sindsdien heeft het altaar een centrale plaats in de kerk gekregen. In de rooms-katholieke kerk is dat nog steeds zo. De viering van het Avondmaal is in deze kerk uitgegroeid tot de eucharistie, het belangrijkste onderdeel van de eredienst, de heilige mis. In de protestantse eredienst staat het preken over de Bijbel centraal.  

Er broedt wat in de Kerk

(Gelezen In Het “Katholiek Nieuwsblad” Van 2 Juli 2010)
De hervormingen na het Concilie terug naar af?
Dr. G.P. Weishaupt, priester van het bisdom Roermond, officiaal van het bisdom ’s-Hertogenbosch, diocesaan rechter in het bisdom Roermond en docent kerkelijk recht, is de spreekbuis van die restauratiebeweging:
“Er zijn geen theologische redenen voor een celebratie door de priester met het gezicht naar het volk. Inderdaad zien we dan ook dat paus Benedictus XVI, wanneer hij de H.Mis in de Cappella Paulina van het Apostolisch Paleis opdraagt, waar een van de wand losstaand altaar staat, de H.Mis conform de voorschriften naar de Heer (versus Dominum) viert en niet naar de mensen toe. Deze celebratiewijze is de normale vorm van celebratie, waarbij “normaal” verstaan wordt als overeenkomstig de liturgische voorschriften en normen.
In een brief van 1965 aan kardinaal Alfrink herinnert de toenmalige secretaris van de Pauselijke Raad ter uitvoering van de liturgieconstitutie van het Tweede Vaticaans Concilie, Annibale Bugnini, eraan dat de overgeleverde wijze van communiceren (op de tong) gehandhaafd dient te blijven. Pas in 1969 heeft paus Paulus VI op aanvraag van enkele bisschoppenconferenties in zijn motu proprio Memoriale Domini de handcommunie als een indult, dus als een uitzondering (!), toegestaan. Tegen de meerderheid van bisschoppen in: 1233 stemden tegen, 567 voor de handcommunie.
De postconciliaire liturgievernieuwing moet getoetst en her en der gecorrigeerd worden in trouw aan tekst en geest van het Tweede Vaticaans Concilie. Het feitelijke verdwijnen van het Latijn, de celebratie naar het volk gericht en de handcommunie, zoals we die nu kennen, vormen een breuk met de traditie.
Ten slotte is een groot minpunt in de liturgie volgens het Missaal van Paulus VI de stortvloed aan woorden. Er is weer een groter verlangen naar meer stilte in de H.Mis, die niet in tegenspraak is met de actieve deelname. Zo pleitte Joseph Ratzinger verschillende keren ook voor het herstel van de canonstilte.”
Tot zover dr. Weishaupt.

Het kruis in de beklaagdenbak

(Gelezen In Het “Katholiek Nieuwsblad” Van 2 Juli 2010)
Uit een betoog van mgr. Sigitas Tamkevicius, voorzitter van de Litouwse bisschoppenconferentie, dat het kruisbeeldenverbod van het Europees Mensenrechtenhof fundamenteel onjuist is.
“De scheiding van Kerk en staat, zo vaak genoemd in het publieke debat, betekent niet dat de religieuze symbolen en tradities, die deel uitmaken van het cultureel erfgoed en de identiteit van het volk dat een staat vormt waarin het leeft, moeten worden verbannen uit de publieke ruimten, instellingen of scholen. Alles wat behoort tot het cultureel erfgoed heeft het recht te worden gekoesterd in de samenleving, binnen de staat en op scholen. Het is absurd steun uit te spreken voor het behoud van een nationale cultuur en tegelijkertijd het gebruik te verbieden van de symbolen dat die cultuur uitdrukken.
Eisen dat religieuze symbolen uit openbare ruimten of scholen worden verwijderd demonstreert niet, zoals soms wordt beweerd, de neutraliteit van de staat of de waarborging van een waar pluralisme. Een dergelijke eis laat gewoon zien dat, verduisterd door kreten over neutraliteit en vrijzinnigheid, voorrang wordt verleend aan een atheïstisch wereldbeeld en een secularistische ideologie.
De loutere aanwezigheid van het kruis in openbare ruimten, kan niemand dwingen een geloof te accepteren of iemand beperken in zijn of haar vrijheid een andere godsdienst te belijden of te verspreiden.”
Tot zover mgr. Sigitas Tamkevicius.