zie ook deel 1: http://korbeek-dijle.blogspot.com/2008/08/klein-belgisch-woordenboek.html
Gaston d’Urnay
Bankiers: Nu zo velen in hun blootje staan, kan misschien ook hier een naaktkalender steun bieden.
Crematie: Grafmakers klagen steen en been.
Fuif: Naam voor cultureel evenement.
Leeftijdsgrens: De enige Europese grens die nog streng wordt bewaakt.
Naakte ontslagen: De enige vorm van naaktheid die niet meer mag.
Spreuk, voor de VRT: De ene zijn bloot, is de andere zijn brood.
Titel voor politieroman: De basiliek van Koekelberg.
Uit de kleren: Jongste Vlaamse emancipatiekreet.
Rookverbod: Mag men de pijp nog aan Maarten geven?
Vrije meningsuiting: Moderne media nemen geen blad voor hun kont.
Zeldzaamheid: Kalender met landschapsfoto’s.
C.L.
woensdag 12 november 2008
Weerspreuk: H.Elisabeth Van Thüringen
19 november: Sinte Liesbeth doet verstaan, Hoe de winter zal vergaan.
Als Hongaarse koningsdochter was zij een politiek ruilobject. Al op haar derde werd bedisseld met wie ze zou trouwen, met Hendrik, de oudste zoon van de landgraaf van Thüringen, en daarvoor verhuisde zij op haar vierde, in 1211, naar het kasteel van de landgraaf, de Wartburg. Hendrik stierf, maar geen nood, zij werd als dertienjarig meisje de bruid van de volgende zoon, Lodewijk. Ook hij had ruilobjecten nodig. Op haar achttiende was Elisabeth al moeder van drie kinderen. Ja, het zat haar mee. Drie geslaagde bevallingen en een liefhebbende man met begrip voor eigenaardigheden die slecht bij haar positie pasten, want elke morgen daalde zij de trappen van de Wartburg af om de armen brood te brengen. Dat hoorde een edelvrouw niet te doen. Liefdadigheid mocht, maar zelf de hutten van dagloners en lijfeigenen binnengaan - mensen aan wie ook de Kerk zich niets gelegen liet liggen - kwam bijna op een ondermijning van de sociale orde neer. Vooral het spijzigen van de armen tijdens een hongersnood, ten koste van de overdaad op de burcht zelf, zette kwaad bloed. En zodra Lodewijk haar niet meer kon beschermen omdat hij op kruistocht ging, kwam zijn vrouw in de knel. Zijn jongere broer, nu de baas, bespotte Elisabeth waar het personeel bijstond. Toen zij eens met haar voorschoot vol broden de trappen afging naar het dorp, hoonde hij: ‘Zo, worden de varkens weer vetgemest?’ Zij opende haar voorschoot - hij lag vol bloeiende rozen.
Ook dat rozenwonder kon haar niet redden na de verpletterende tijding dat Lodewijk onderweg aan koorts was gestorven. Daarmee verloor zij haar status. Zijn broer werd landgraaf en Elisabeth, een weduwe van twintig, kon weer dienen als ruilobject. Nee, niet opnieuw! Zij nam haar lot in eigen handen. Of lag de zaak anders? Al geruime tijd stond zij onder invloed van de dweepzuchtige monnik Konrad von Marburg, die de jonge vrouw zo zuiver als een engel wilde maken door haar vernederingen en kwellingen op te leggen, een sadist die haar zelfs beet als zij van het rechte spoor afweek. Mede door zijn inblazingen besloot zij de Wartburg te verlaten, haar kinderen bij een klooster af te geven en verder als boetelinge te leven. Half verhongerd en zich geselend leidde zij een pover bestaan tot haar een restje van haar bruidsschat werd uitgekeerd, waarvan zij in Marburg een hospitaaltje bouwde. Vervallen tot een schaduw van zichzelf verpleegde zij de zieken tot haar gepijnigde lichaam in 1231 de dienst opzegde.De wereld heeft de tragiek van haar bestaan niet willen onthouden, maar het rozenwonder vertelt men nog door.
(Uit Alle Heiligen van Wim Zaal)
C.L.
Als Hongaarse koningsdochter was zij een politiek ruilobject. Al op haar derde werd bedisseld met wie ze zou trouwen, met Hendrik, de oudste zoon van de landgraaf van Thüringen, en daarvoor verhuisde zij op haar vierde, in 1211, naar het kasteel van de landgraaf, de Wartburg. Hendrik stierf, maar geen nood, zij werd als dertienjarig meisje de bruid van de volgende zoon, Lodewijk. Ook hij had ruilobjecten nodig. Op haar achttiende was Elisabeth al moeder van drie kinderen. Ja, het zat haar mee. Drie geslaagde bevallingen en een liefhebbende man met begrip voor eigenaardigheden die slecht bij haar positie pasten, want elke morgen daalde zij de trappen van de Wartburg af om de armen brood te brengen. Dat hoorde een edelvrouw niet te doen. Liefdadigheid mocht, maar zelf de hutten van dagloners en lijfeigenen binnengaan - mensen aan wie ook de Kerk zich niets gelegen liet liggen - kwam bijna op een ondermijning van de sociale orde neer. Vooral het spijzigen van de armen tijdens een hongersnood, ten koste van de overdaad op de burcht zelf, zette kwaad bloed. En zodra Lodewijk haar niet meer kon beschermen omdat hij op kruistocht ging, kwam zijn vrouw in de knel. Zijn jongere broer, nu de baas, bespotte Elisabeth waar het personeel bijstond. Toen zij eens met haar voorschoot vol broden de trappen afging naar het dorp, hoonde hij: ‘Zo, worden de varkens weer vetgemest?’ Zij opende haar voorschoot - hij lag vol bloeiende rozen.
Ook dat rozenwonder kon haar niet redden na de verpletterende tijding dat Lodewijk onderweg aan koorts was gestorven. Daarmee verloor zij haar status. Zijn broer werd landgraaf en Elisabeth, een weduwe van twintig, kon weer dienen als ruilobject. Nee, niet opnieuw! Zij nam haar lot in eigen handen. Of lag de zaak anders? Al geruime tijd stond zij onder invloed van de dweepzuchtige monnik Konrad von Marburg, die de jonge vrouw zo zuiver als een engel wilde maken door haar vernederingen en kwellingen op te leggen, een sadist die haar zelfs beet als zij van het rechte spoor afweek. Mede door zijn inblazingen besloot zij de Wartburg te verlaten, haar kinderen bij een klooster af te geven en verder als boetelinge te leven. Half verhongerd en zich geselend leidde zij een pover bestaan tot haar een restje van haar bruidsschat werd uitgekeerd, waarvan zij in Marburg een hospitaaltje bouwde. Vervallen tot een schaduw van zichzelf verpleegde zij de zieken tot haar gepijnigde lichaam in 1231 de dienst opzegde.De wereld heeft de tragiek van haar bestaan niet willen onthouden, maar het rozenwonder vertelt men nog door.
(Uit Alle Heiligen van Wim Zaal)
C.L.
Labels:
19 november,
H.Elisabeth Van Thüringen,
weerspreuken
Het Gemeentelijk Onderwijs Te Korbeek-Dijle - Deel 2
zie ook deel 1: http://korbeek-dijle.blogspot.com/2008/11/het-gemeentelijk-onderwijs-te-korbeek.html
2. Michaël Cassaer
Vanaf 1849 heeft de gemeente beroep gedaan op onderwijzers die voor hun taak waren opgeleid. De eerste was Michaël Cassaer (°Antwerpen 1826/+Hoeilaart 1892). Hij werd ingeschreven in het bevolkingsregister van Korbeek-Dijle in juli 1849. In Korbeek-Dijle leerde hij zijn vrouw kennen. Hij trouwde als 25-jarige op 16.1.1851 met de zeven jaar oudere Antonia (Antonette) Debontridder, jongste dochter van Guilielmus Debontridder en Philippina Bruffaerts, landbouwers op Heverlee-Dries. Op 14.12.1851 kregen zij een zoon, Henri, die echter reeds overleed op 2.1.1852. Zij zijn nadien kinderloos gebleven. Michaël Cassaer ruilde zijn onderwijstaak in Korbeek-Dijle met deze in Steenokkerzeel. Hij en zijn vrouw Antonette Debontridder vertrokken naar Steenokkerzeel op 30.8.1854.
Een tweede onderwijzer, een “hulponderwijzer”, Henri Cassaer, eveneens geboren te Antwerpen, drie jaar jonger dan Michaël, waarschijnlijk zijn broer, was enkele maanden later dan Michaël in Korbeek-Dijle toegekomen, woonde bij hem en Antonette in, en vertrok samen met hen naar Steenokkerzeel.
Later werd Michaël waarschijnlijk onderwijzer in Hoeilaart. Hij overleed in Hoeilaart op 16.1.1892 en Antonette in Korbeek-Dijle op 26.1.1898.
In 1894 had Antonette haar testament opgemaakt, dat na haar dood werd uitgevoerd. Zij liet al haar bezittingen na aan de kinderen van haar nicht en neef, Philippina Debontridder en Franciscus Debontridder, die met mekaar waren getrouwd. Deze laatsten waren de overgrootouders van mijn vrouw Lea Debontridder, haar broers en zussen en haar kozijn Robert en nicht Nelly, van Mathilde Vanderveken en haar broers en zus, van Roger Van Asbroeck en zijn broers en zussen en van Nicole Honnorez en haar broer en zus. Dat testament heeft veel stof doen opwaaien in de familie Debontridder. Toen ik in 1985 de “Stamboom van het Ruwaalse Geslacht Debontridder”, met commentaar in boekvorm, publiceerde, was de rancune bij sommige afstammelingen van de in het testament van 1894 over het hoofd geziene neven en nichten nog duidelijk aanwezig. Andere nazaten konden dat testament op een luchtige manier relativeren. Maar toch spraken zij er over. Het moet een bom geweest zijn in de familie, waarvan de ontploffing meer dan negentig jaar heeft nagezinderd.
Cyriel Letellier
2. Michaël Cassaer
Vanaf 1849 heeft de gemeente beroep gedaan op onderwijzers die voor hun taak waren opgeleid. De eerste was Michaël Cassaer (°Antwerpen 1826/+Hoeilaart 1892). Hij werd ingeschreven in het bevolkingsregister van Korbeek-Dijle in juli 1849. In Korbeek-Dijle leerde hij zijn vrouw kennen. Hij trouwde als 25-jarige op 16.1.1851 met de zeven jaar oudere Antonia (Antonette) Debontridder, jongste dochter van Guilielmus Debontridder en Philippina Bruffaerts, landbouwers op Heverlee-Dries. Op 14.12.1851 kregen zij een zoon, Henri, die echter reeds overleed op 2.1.1852. Zij zijn nadien kinderloos gebleven. Michaël Cassaer ruilde zijn onderwijstaak in Korbeek-Dijle met deze in Steenokkerzeel. Hij en zijn vrouw Antonette Debontridder vertrokken naar Steenokkerzeel op 30.8.1854.
Een tweede onderwijzer, een “hulponderwijzer”, Henri Cassaer, eveneens geboren te Antwerpen, drie jaar jonger dan Michaël, waarschijnlijk zijn broer, was enkele maanden later dan Michaël in Korbeek-Dijle toegekomen, woonde bij hem en Antonette in, en vertrok samen met hen naar Steenokkerzeel.
Later werd Michaël waarschijnlijk onderwijzer in Hoeilaart. Hij overleed in Hoeilaart op 16.1.1892 en Antonette in Korbeek-Dijle op 26.1.1898.
In 1894 had Antonette haar testament opgemaakt, dat na haar dood werd uitgevoerd. Zij liet al haar bezittingen na aan de kinderen van haar nicht en neef, Philippina Debontridder en Franciscus Debontridder, die met mekaar waren getrouwd. Deze laatsten waren de overgrootouders van mijn vrouw Lea Debontridder, haar broers en zussen en haar kozijn Robert en nicht Nelly, van Mathilde Vanderveken en haar broers en zus, van Roger Van Asbroeck en zijn broers en zussen en van Nicole Honnorez en haar broer en zus. Dat testament heeft veel stof doen opwaaien in de familie Debontridder. Toen ik in 1985 de “Stamboom van het Ruwaalse Geslacht Debontridder”, met commentaar in boekvorm, publiceerde, was de rancune bij sommige afstammelingen van de in het testament van 1894 over het hoofd geziene neven en nichten nog duidelijk aanwezig. Andere nazaten konden dat testament op een luchtige manier relativeren. Maar toch spraken zij er over. Het moet een bom geweest zijn in de familie, waarvan de ontploffing meer dan negentig jaar heeft nagezinderd.
Cyriel Letellier
woensdag 5 november 2008
Het Gemeentelijk Onderwijs Te Korbeek-Dijle - Deel 1
1. Kosters als onderwijzers
In zijn Geschiedenis van Korbeek-Dijle schrijft pastoor Bogaerts: Eene der bijzonderste verplichtingen des kosters, zoo hij zich daar toe bekwaam kende, was de dorpskinderen het onderwijs te geven.
Uit een kerkrekening van 1572 blijkt dat hier schoolkinderen waren, dus ook een school. De toen bestaande school werd uitzonderlijk gegeven door pastoor Joannes Haeys. Normaal hing het bestaan van een school af van de bekwaamheid van de koster om onderwijs te geven. Zo stelden de kerkvisitaties (= jaarlijkse onderzoeken van de deken naar de toestand van een parochiekerk in zijn decanaat) van 1597 en 1633 vast dat er in die jaren geen school meer was in Korbeek-Dijle.
Sinds de aanstelling van koster Hendrik Neefs (koster van 1641 tot 1650) werd het onderwijs heringevoerd. Maar deze koster werd afgezet wegens slecht gedrag. Hij werd beschuldigd van overspel. De kosters die na hem kwamen gaven ook onderwijs aan de kinderen. Onder hen koster Philips De Greef (koster van 1656 tot 1711). Als rentmeester van kerk en H.Geest werd hij echter in gebreke gesteld en in 1701 gedurende een maand gevangen gezet. Een geestelijke, Eugenius Mac Carthy, heeft hem een tweetal jaren vervangen. De volgende koster was Andries Van Dijck (°Berg 1689), oud-overgrootvader van o.a. mijn vrouw Lea De Bontridder (= 7 generaties vóór haar). Na zijn overlijden werd hij in 1773 opgevolgd door Guilielmus Cappuyns (°Korb.D.1748/ +Korb.D.1836). Naast koster was Guilielmus Cappuyns ook lange tijd burgemeester en gemeentesecretaris van Korbeek-Dijle. Die drie functies lieten hem waarschijnlijk niet toe zich ook nog veel met het onderwijs van de kinderen bezig te houden. In 1812 werd ene Guilielmus Josephus Taymans (26 jaar) als onderwijzer vermeld. Maar in 1815 was die al herbergier in Huldenberg. Zoon Guilielmus Antonius Cappuyns (°Korb.D.1785/ +Korb.D.1843) wordt eenmalig (in 1815) vermeld als onderwijzer, en verder als winkelier, herbergier en landbouwer. In 1830 wordt Philippus Penninckx (26 jaar) als onderwijzer betiteld. Verder was Philippus winkelier en landbouwer. Hij was de overgrootvader van dokter Frantz Penninckx (°Leuven 1900/ +Leuven 1951).
De volgende koster, Guilielmus Antonius Cappuyns (Gillam Cappuyns den Jongen) (°Meerbeek 1810/ +Korb.D.1849), was een kleinzoon van koster-burgemeester Guilielmus Cappuyns. Hij was de laatste koster die tegelijk ook nog onderwijzer was.
Cyriel Letellier
In zijn Geschiedenis van Korbeek-Dijle schrijft pastoor Bogaerts: Eene der bijzonderste verplichtingen des kosters, zoo hij zich daar toe bekwaam kende, was de dorpskinderen het onderwijs te geven.
Uit een kerkrekening van 1572 blijkt dat hier schoolkinderen waren, dus ook een school. De toen bestaande school werd uitzonderlijk gegeven door pastoor Joannes Haeys. Normaal hing het bestaan van een school af van de bekwaamheid van de koster om onderwijs te geven. Zo stelden de kerkvisitaties (= jaarlijkse onderzoeken van de deken naar de toestand van een parochiekerk in zijn decanaat) van 1597 en 1633 vast dat er in die jaren geen school meer was in Korbeek-Dijle.
Sinds de aanstelling van koster Hendrik Neefs (koster van 1641 tot 1650) werd het onderwijs heringevoerd. Maar deze koster werd afgezet wegens slecht gedrag. Hij werd beschuldigd van overspel. De kosters die na hem kwamen gaven ook onderwijs aan de kinderen. Onder hen koster Philips De Greef (koster van 1656 tot 1711). Als rentmeester van kerk en H.Geest werd hij echter in gebreke gesteld en in 1701 gedurende een maand gevangen gezet. Een geestelijke, Eugenius Mac Carthy, heeft hem een tweetal jaren vervangen. De volgende koster was Andries Van Dijck (°Berg 1689), oud-overgrootvader van o.a. mijn vrouw Lea De Bontridder (= 7 generaties vóór haar). Na zijn overlijden werd hij in 1773 opgevolgd door Guilielmus Cappuyns (°Korb.D.1748/ +Korb.D.1836). Naast koster was Guilielmus Cappuyns ook lange tijd burgemeester en gemeentesecretaris van Korbeek-Dijle. Die drie functies lieten hem waarschijnlijk niet toe zich ook nog veel met het onderwijs van de kinderen bezig te houden. In 1812 werd ene Guilielmus Josephus Taymans (26 jaar) als onderwijzer vermeld. Maar in 1815 was die al herbergier in Huldenberg. Zoon Guilielmus Antonius Cappuyns (°Korb.D.1785/ +Korb.D.1843) wordt eenmalig (in 1815) vermeld als onderwijzer, en verder als winkelier, herbergier en landbouwer. In 1830 wordt Philippus Penninckx (26 jaar) als onderwijzer betiteld. Verder was Philippus winkelier en landbouwer. Hij was de overgrootvader van dokter Frantz Penninckx (°Leuven 1900/ +Leuven 1951).
De volgende koster, Guilielmus Antonius Cappuyns (Gillam Cappuyns den Jongen) (°Meerbeek 1810/ +Korb.D.1849), was een kleinzoon van koster-burgemeester Guilielmus Cappuyns. Hij was de laatste koster die tegelijk ook nog onderwijzer was.
Cyriel Letellier
Weerspreuk: Sint-Martinus Van Tours
11 november: Nevels in Sint Maartensnacht, brengen winters kort en zacht.
Het gebeurde rond het jaar 335. Martinus, een jonge onderofficier in de Romeinse cavalerie, reed op een winterse middag naar zijn garnizoensstad Amiens, waar bij de poort een vrijwel naakte bedelaar zat.
De ruiter voelde medelijden maar had geen geld en deed daarom het enige wat hij kon. Hij greep zijn zwaard en kliefde zijn rode mantel doormidden om de man te kleden. En in de daaropvolgende nacht ontving hij een droomgezicht van Christus, met de halve mantel bekleed en tot de engelenkoren zeggend: ‘Martinus, die niet eens gedoopt is, heeft mij hier vanmiddag mee bedekt.’
(Als kind vond ik een halve mantel nogal karig. Pas later begreep ik de handelwijze van Sint-Maarten. De mantel was dienstkleding en als militair mocht hij zijn uniform niet afleggen. Alleen door de stof in tweeën te snijden was én het gebod der naastenliefde én aan het dienstvoorschrift voldaan.)
Martinus was een catechumeen of doopleerling. Het kon destijds jaren duren voor iemand zich liet dopen, want al wiste de doop alle zonden uit, je latere kwaad raakte je veel moeilijker kwijt. Waarschijnlijk werd hij na zijn diensttijd volwaardig lid van de Kerk. Hij trok als lekenprediker half Europa door en stichtte vervolgens in Midden-Frankrijk een kluizenaarskolonie. Na de dood van de bisschop van Tours in 371 wilde het volk Martinus als opvolger verheffen, ook al was hij geen priester en voelde hij er niets voor. Hij sloeg voor de vrome meute op de vlucht, verborg zich in een ganzenhok en net toen de mensenmassa daarlangs kwam begonnen de dieren te gakken. Martinus werd ontdekt, meegevoerd en ijlings tot bisschop gewijd. In een tijd dat de kerkvorsten zich al sterk op hun waardigheid lieten voorstaan - hun gezag steeg in de mate waarin het Romeinse Rijk verviel - bleef hij in monnikspij lopen en in een houten optrekje aan de Loire wonen, zeer tot ongenoegen van zijn ambtsbroeders. Voor het volk was hij echter een held. Hij reisde stad en land af om mensen te bekeren, bestreed het bijgeloof, maar had voldoende tact om heidense feesten liever een christelijk tintje te geven dan ze te verbieden. Bij zijn dood in 397 bezat hij al een grote vermaardheid, nog aangewakkerd doordat een verre kennis een levensbeschrijving in het licht gaf die duizend jaar lang populair bleef. Het boek bewees immers dat niet alleen de woestijnvaders grote dingen vermochten, maar dat het westen even machtige wonderdoeners voortbracht. Na de tijd der martelaren kreeg de Europese Kerk door die biografie een nieuw zelfbewustzijn.
Sint-Maarten werd een volksheilige. Er kwam op zijn verjaardag gans op tafel en het aantal afbeeldingen van de mantelklievende ruiter is niet te tellen. Meestel zit Martinus dan op een schimmel omdat hij de winter inluidt. Op 11 november ging het vee op stal, begon de slacht en mocht de kachel aan. Als laatste feest voor de donkere tijd inspireerde de dag ook tot kinderoptochten met lichtjes, waarbij de deelnemers werden beloond met geschenkjes van de oogst, appels, noten of koek. In veel plaatsen bestaan die Maartensstoeten nog. Ook in ons taaleigen leeft de heilige voort. De Merovingische koningen bezaten een stuk van zijn mantel, cappa, dat was ondergebracht in een heiligdom, de cappella. Daarvan komen de woorden kapel en kapelaan.
(Uit Alle Heiligen van Wim Zaal)
C.L.
Het gebeurde rond het jaar 335. Martinus, een jonge onderofficier in de Romeinse cavalerie, reed op een winterse middag naar zijn garnizoensstad Amiens, waar bij de poort een vrijwel naakte bedelaar zat.
De ruiter voelde medelijden maar had geen geld en deed daarom het enige wat hij kon. Hij greep zijn zwaard en kliefde zijn rode mantel doormidden om de man te kleden. En in de daaropvolgende nacht ontving hij een droomgezicht van Christus, met de halve mantel bekleed en tot de engelenkoren zeggend: ‘Martinus, die niet eens gedoopt is, heeft mij hier vanmiddag mee bedekt.’
(Als kind vond ik een halve mantel nogal karig. Pas later begreep ik de handelwijze van Sint-Maarten. De mantel was dienstkleding en als militair mocht hij zijn uniform niet afleggen. Alleen door de stof in tweeën te snijden was én het gebod der naastenliefde én aan het dienstvoorschrift voldaan.)
Martinus was een catechumeen of doopleerling. Het kon destijds jaren duren voor iemand zich liet dopen, want al wiste de doop alle zonden uit, je latere kwaad raakte je veel moeilijker kwijt. Waarschijnlijk werd hij na zijn diensttijd volwaardig lid van de Kerk. Hij trok als lekenprediker half Europa door en stichtte vervolgens in Midden-Frankrijk een kluizenaarskolonie. Na de dood van de bisschop van Tours in 371 wilde het volk Martinus als opvolger verheffen, ook al was hij geen priester en voelde hij er niets voor. Hij sloeg voor de vrome meute op de vlucht, verborg zich in een ganzenhok en net toen de mensenmassa daarlangs kwam begonnen de dieren te gakken. Martinus werd ontdekt, meegevoerd en ijlings tot bisschop gewijd. In een tijd dat de kerkvorsten zich al sterk op hun waardigheid lieten voorstaan - hun gezag steeg in de mate waarin het Romeinse Rijk verviel - bleef hij in monnikspij lopen en in een houten optrekje aan de Loire wonen, zeer tot ongenoegen van zijn ambtsbroeders. Voor het volk was hij echter een held. Hij reisde stad en land af om mensen te bekeren, bestreed het bijgeloof, maar had voldoende tact om heidense feesten liever een christelijk tintje te geven dan ze te verbieden. Bij zijn dood in 397 bezat hij al een grote vermaardheid, nog aangewakkerd doordat een verre kennis een levensbeschrijving in het licht gaf die duizend jaar lang populair bleef. Het boek bewees immers dat niet alleen de woestijnvaders grote dingen vermochten, maar dat het westen even machtige wonderdoeners voortbracht. Na de tijd der martelaren kreeg de Europese Kerk door die biografie een nieuw zelfbewustzijn.
Sint-Maarten werd een volksheilige. Er kwam op zijn verjaardag gans op tafel en het aantal afbeeldingen van de mantelklievende ruiter is niet te tellen. Meestel zit Martinus dan op een schimmel omdat hij de winter inluidt. Op 11 november ging het vee op stal, begon de slacht en mocht de kachel aan. Als laatste feest voor de donkere tijd inspireerde de dag ook tot kinderoptochten met lichtjes, waarbij de deelnemers werden beloond met geschenkjes van de oogst, appels, noten of koek. In veel plaatsen bestaan die Maartensstoeten nog. Ook in ons taaleigen leeft de heilige voort. De Merovingische koningen bezaten een stuk van zijn mantel, cappa, dat was ondergebracht in een heiligdom, de cappella. Daarvan komen de woorden kapel en kapelaan.
(Uit Alle Heiligen van Wim Zaal)
C.L.
Labels:
11 november,
Sint-Martinus Van Tours,
weerspreuken
woensdag 29 oktober 2008
Spreekwijzen Aan De Schriftuur Ontleend - Deel 1
Hij leeft als in Abrahams schoot. (Hij leeft in ongestoorde voorspoed; hij leeft een rustig en aangenaam leven.)
Ontleend aan het Sint-Lucasevangelie, hoofdstuk 16. Ik citeer vanaf vers 19 tot en met vers 31:
Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen, en elke dag uitbundig feestvierde. Aan zijn poort lag een zekere Lazarus; hij was arm en zat onder de zweren. Hij had graag zijn honger gestild met wat er van de tafel van de rijke op de grond viel, maar nee, de honden kwamen en likten aan zijn zweren. Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld door pijn zijn ogen op en zag van verre Abraham met Lazarus in zijn schoot. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden met me; stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water, en er mijn tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.” Maar Abraham zei: “Kind, vergeet niet dat jij het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus altijd slecht; nu wordt hij hier getroost en jij lijdt pijn. Bovendien, er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof; al zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen; evenmin kan iemand van daar naar ons komen.” Maar de rijke zei: “Dan, Vader, vraag ik u hem naar mijn ouderlijk huis te sturen, want ik heb nog vijf broers. Laat hij hen gaan waarschuwen, zodat zij niet eveneens terechtkomen in dit oord van pijn.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten; daar moeten ze naar luisteren.” Maar hij zei: “Nee, Vader Abraham, als iemand van de doden naar hen toe komt, dan zullen zij zich bekeren.” Maar Abraham antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.”
Ter gelegenheid van de feestdag van Sint-Lucas op 18 oktober schreven wij in Kerk en Leven van 15 oktober o.a.: “De auteur (Sint-Lucas) ontpopt zich als een verteller met een voorkeur voor pittige verhalen en parabels.” Met het verhaal hiervoor doet Lucas zijn naam en faam alle eer aan.
C.L.
Ontleend aan het Sint-Lucasevangelie, hoofdstuk 16. Ik citeer vanaf vers 19 tot en met vers 31:
Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen, en elke dag uitbundig feestvierde. Aan zijn poort lag een zekere Lazarus; hij was arm en zat onder de zweren. Hij had graag zijn honger gestild met wat er van de tafel van de rijke op de grond viel, maar nee, de honden kwamen en likten aan zijn zweren. Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld door pijn zijn ogen op en zag van verre Abraham met Lazarus in zijn schoot. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden met me; stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water, en er mijn tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.” Maar Abraham zei: “Kind, vergeet niet dat jij het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus altijd slecht; nu wordt hij hier getroost en jij lijdt pijn. Bovendien, er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof; al zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen; evenmin kan iemand van daar naar ons komen.” Maar de rijke zei: “Dan, Vader, vraag ik u hem naar mijn ouderlijk huis te sturen, want ik heb nog vijf broers. Laat hij hen gaan waarschuwen, zodat zij niet eveneens terechtkomen in dit oord van pijn.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten; daar moeten ze naar luisteren.” Maar hij zei: “Nee, Vader Abraham, als iemand van de doden naar hen toe komt, dan zullen zij zich bekeren.” Maar Abraham antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.”
Ter gelegenheid van de feestdag van Sint-Lucas op 18 oktober schreven wij in Kerk en Leven van 15 oktober o.a.: “De auteur (Sint-Lucas) ontpopt zich als een verteller met een voorkeur voor pittige verhalen en parabels.” Met het verhaal hiervoor doet Lucas zijn naam en faam alle eer aan.
C.L.
woensdag 22 oktober 2008
Geloof Stimuleert Goede Gezondheid
(uit een artikel van Peter Vande Vyvere)
Almaar meer onderzoek wijst op een positief verband tussen echt beleefd religieus geloof en gezondheid en het kunnen omgaan met ziekte en tegenspoed. Geloof en hoop versterken het afweersysteem. Het aanslepende negativisme tegenover de christelijke wortels van onze cultuur is dan ook nefast voor de volksgezondheid. Wij zijn gezonder dan ooit, heet het. De levensverwachting is nog nooit zo hoog geweest, maar de bevolking trekt intussen massaal naar arts en ziekenhuis en slikt elk jaar meer pillen. Er wordt een stijging van twintig procent verwacht in 2008. De conclusie is dat overheid, cultuur en media de spirituele en sociale krachtbronnen van onze samenleving dringend moeten herontdekken en respecteren.
De kerk zou vanuit het joods-christelijke mensbeeld de begrippen ‘zielzorg’ en ‘heling’ een nieuwe invulling moeten geven en haar kernactiviteit opnieuw ter harte moeten nemen: het geluk en de vrijheid van de mens.
C.L.
Almaar meer onderzoek wijst op een positief verband tussen echt beleefd religieus geloof en gezondheid en het kunnen omgaan met ziekte en tegenspoed. Geloof en hoop versterken het afweersysteem. Het aanslepende negativisme tegenover de christelijke wortels van onze cultuur is dan ook nefast voor de volksgezondheid. Wij zijn gezonder dan ooit, heet het. De levensverwachting is nog nooit zo hoog geweest, maar de bevolking trekt intussen massaal naar arts en ziekenhuis en slikt elk jaar meer pillen. Er wordt een stijging van twintig procent verwacht in 2008. De conclusie is dat overheid, cultuur en media de spirituele en sociale krachtbronnen van onze samenleving dringend moeten herontdekken en respecteren.
De kerk zou vanuit het joods-christelijke mensbeeld de begrippen ‘zielzorg’ en ‘heling’ een nieuwe invulling moeten geven en haar kernactiviteit opnieuw ter harte moeten nemen: het geluk en de vrijheid van de mens.
C.L.
Abonneren op:
Posts (Atom)