woensdag 29 oktober 2014

De Tweede Wereldoorlog - deel 8

Verplichte tewerkstelling in Duitsland

De Duitse verordening aangaande de verplichte tewerkstelling in Duitsland dateert van 6.10.1942. Daarbij aansluitend stuurt de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid een eerste omzendbrief op 27.11.1942 en een tweede op 28.1.1943 waarin hij zegt dat

“de plaatselijke overheden dit al te licht hebben toegepast (nl. al te gemakkelijk zijn ingegaan op opeisingen voor tewerkstelling in Duitsland) en nagelaten hebben het nodige onderscheid te maken tussen de verordening van 6 Maart 1942, voor zoover zij betrekking heeft op den verplichten arbeid in België, en deze van 6 October 1942 omtrent de tewerkstelling in het Duitsche Rijk. Ze hebben misschien uit het oog verloren dat een indirecte tussenkomst in het belang van onze arbeiders zelf en van hun familie geboden is. De Burgemeesters die dergelijke twijfelachtige gevallen op te lossen hebben behoren U (de provinciegouverneur) onmiddellijk om richtlijnen te verzoeken en zich daarnaar te gedragen.”

Een brief van 9.4.1943 van de Kreiskommandantur aan de burgemeesters betreffende de verplichte tewerkstelling, kondigt aan dat het Aanwervingsbureel voor arbeidskrachten de bevolkingslijsten zal komen nazien voor het bijeenbrengen van de gegevens en de telling van personen tussen 18 en 25 jaar.

Met zijn nota van 7.5.1943 herbevestigt de gouverneur het standpunt ingenomen door de Hoofden der Ministeriële Departementen met betrekking tot de Duitse verordening van 6.10.1942 op de verplichte arbeid in Duitsland met namelijk te herinneren dat de gemeentelijke politie op generlei wijze mag meewerken aan de uitvoering van gezegde verordening, hetzij door het uitdragen der opeisingsbevelen, hetzij door het opleiden naar de Duitse Werbestelle (aanwervingsbureau’s) van personen die geen gevolg geven aan de oproepingen dezer laatste. Wanneer de gemeentelijke politie door de Feldgendarmerie uitgenodigd wordt inlichtingen te verschaffen over of de weg te tonen naar de woonst van zekere inwoners met het ontegensprekelijk doel de uitvoering der verordening van 6.10.1942 te verzekeren, mag de politie de gevraagde inlichtingen niet verschaffen noch aan de uitnodiging gevolg geven. A fortiori, moet elke rechtstreekse of onrechtstreekse medewerking tot het aanhouden van personen weerspannig aan gezegde verordening geweigerd worden.

Maar op 13.7.1943 stuurt de gouverneur al een nieuwe nota aan de burgemeesters en schepenen:

“Ik heb de eer U te laten weten dat ingevolge een nieuw onderzoek der kwestie door de hoogere overheid, de burgemeester, wanneer hij uitdrukkelijk wordt opgeëischt door de bezettende overheid om huizen aan te wijzen van zekere personen of den weg te toonen, zich mag beschouwen als zijnde, in dit geval, opgevorderd door de bezettende overheid.”

Deze nota geeft de indruk dat het Belgisch bestuur gezwicht is voor de almacht van de Duitse bezetter en, zonder al te veel gezichtsverlies, toch het onderspit heeft moeten delven.

Maar op 24.9.1943 schrijft de gouverneur alweer, na overleg met hogere Belgische besturen:

“dat het niemand gerechtigd is aan de bezettende overheid inlichtingen te verschaffen die klaarblijkelijk moeten dienen voor de toepassing der verordeningen nopens den verplichten arbeid in het Reich. Als uit de formuleering zelf der te beantwoorden vragen blijkt dat de antwoorden moeten dienen tot voormeld doel, kunnen de Gemeentebesturen hierop geen antwoord geven.”

En het Belgisch bestuur houdt moedig vol: uit een brief aan de gemeenten van 15.2.1944 van de provinciegouverneur a.i. blijkt dat deze, na advies van de secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, de gemeenten aanspoort door de Duitsers gevraagde inlichtingen over personen niet te verstrekken als duidelijk blijkt dat het gaat om opsporingen in verband met de verplichte arbeid in Duitsland.

De gemeenteambtenaren, waarschijnlijk geholpen door het Verzet, hadden ondertussen ook een middel gevonden om in de onmogelijkheid te verkeren inlichtingen over personen te geven aan de Duitsers, door de bevolkingsregisters te laten verdwijnen, zogezegd “gestolen door onbekenden”.

Daarop stuurde de provinciegouverneur zijn brief van 6.3.1944 aan de burgemeesters zeggende dat de Duitse overheid in de toekomst de gemeenteambtenaren verantwoordelijk zal stellen voor de diefstallen van bevolkingsregisters door gemis aan zorgvuldige veiligheidsmaatregelen (te treffen door de burgemeester).

Hieruit blijkt dat in deze gevoelige materie de Belgische Administratie niet 100% naar de pijpen van de Duitsers danste – enkele kleine pro forma toegevingen niet te na gesproken (het schrijven van de provinciegouverneur van 13.7.1943 en zijn schrijven van 6.3.1944).

Bevoorrading in steenkool en hout

De steenkool voor huishoudelijk gebruik werd gerantsoeneerd vanaf 1941. Allerlei “speciale verbruikers”, zoals gemeentelijke en provinciale diensten, scholen, hospitalen, rusthuizen en dergelijke, kregen wel een voorkeurbehandeling.

Maar in Korbeek-Dijle liep er blijkbaar iets mis. Herhaaldelijk signaleerde meester Hoebrechts aan burgemeester Neckebrouck dat de kolen voor de jongensschool opgebruikt, of bijna opgebruikt, waren. De school moest zelfs gesloten worden voor 7 halve dagen van 7 tot 10 februari 1944.

In een brief van 12.2.1944 aan de schoolopziener schreef Neckebrouck:

“De zeven verloren gewone halve schooldagen zullen met het Paasverlof worden ingewonnen.” En verder:

“Het is eigenaardig dat de gemeentelijke jongensschool meer dan eens heeft moeten sluiten bij gebrek aan brandstof; terwijl de gemeentelijke meisjesschool, die toch maar dezelfde hoeveelheid brandstof krijgt toegediend, dat nog niet moest doen.”

Achter deze vaststelling van de burgemeester lijkt zijn vermoeden schuil te gaan dat er kolen verdwenen uit de voorraad van de jongensschool, wat niet zo verbazingwekkend was in die tijd van grote schaarste. Trouwens de burgers, die nog slechter aan kolen konden geraken dan de scholen, behielpen zich met hout te branden dat niet zelden “ontleend” werd aan de plaatselijke openbare bossen.

In verband met het hout was er een besluit van 21.2.1942 betreffende de bevoorrading in gazogeenhout (= hout waaraan door verhitting in een speciaal toestel het gas is onttrokken): het Bestuur van Waters en Bossen wordt gemachtigd de kappingen voor te schrijven die noodzakelijk geacht worden voor de bevoorrading van het land in gazogeenhout. De aangeduide kappingen moeten ter beschikking worden gehouden van de Houtcentrale die gelast is alle behoorlijke maatregelen te treffen met het oog op de exploitatie en de verdeling.

Gelezen In Tertio Van 15 Oktober 2014

1.Verpleger, filosoof en theoloog Luc Van Gorp wordt midden volgend jaar voorzitter van de Christelijke Mutualiteit (CM). De docent aan de katholieke hogeschool Limburg (KHLIM) en huidig voorzitter van het Wit-Gele Kruis volgt Marc Justaert op, die met pensioen gaat. (Joris Delporte)

2.“Buitenlandse priesters maskeren roepingentekort”

Uit een vraaggesprek van Benoit Lannoo met de Franse theoloog Arnaud Join-Lambert.

“We moeten dringend andere kerkmodellen uitproberen in plaats van onbesuisd priesters te importeren.” Dat vindt de Franse theoloog Arnaud Join-Lambert. Hij ziet voor die priesters wel een rol bij het uitwerken van de modellen. Hun aanwezigheid in Belgische parochies is veel groter in het zuiden van het land dan in Vlaanderen. Bijvoorbeeld: tegenover 56 buitenlandse priesters actief in de pastoraal in Vlaanderen en 80 in Brussel, zijn er reeds 127 in Waals-Brabant alleen.

Weten we hoeveel personeel van vreemde oorsprong in de Belgische kerk actief is?

“In Vlaanderen gaat het om enkelingen, maar in de Waalse bisdommen zijn er decanaten waar meer dan de helft van het presbyterium van Afrikaanse oorsprong is. Het gaat vaak om tijdelijke opdrachten, er is een komen en gaan, en de kerkelijke hiërarchie minimaliseert systematisch het fenomeen. Intussen is een grote meerderheid van de jongere priesters in Franstalig België van buitenlandse komaf. En dat is problematisch, want we rekruteren ze sneller dan we nadenken over het hoe en waarom van hun pastorale engagement. Bovendien maskeren we een fundamenteler probleem van onze kerk: hoe kan een kerkgemeenschap overleven als ze niet meer zelf weet te voorzien in haar sacramentele bedienaars? Dat we massaal priesters van elders importeren, illustreert ons roepingentekort en een falen van onze pastorale modellen. Ik juich daarom toe dat de Belgische bisschoppen hier eindelijk schoorvoetend over nadenken.”

“Geen katholieke gemeenschap zonder sacramenten en zonder priester. Maar onze lokale kerk rekruteert geen priesters meer, wat haar verzwakt. We moeten daarom dringend andere kerkmodellen uitproberen in plaats van onbesuisd priesters te importeren. Sommigen noemen die import een ‘palliatieve’ oplossing (leedverzachtende noodoplossing). Ik ben minder pessimistisch en spreek liever van een transitie (overgang): de pastorale inbreng van vreemde oorsprong kan ons helpen bij het uitwerken en toepassen van nieuwe kerkmodellen.”

Tot zover Benoit Lannoo en Arnaud Join-Lambert.

Gebed van de week: Er even onderdoor

Soms is de rek er uit…

Dat is niet zo erg,

als alle vezels tijd krijgen

om tot rust te komen en te herstellen.

Misschien blijft er een klein littekentje over

dat in de toekomst zal herinneren

aan de grens.

Dat is hoopvol en geruststellend!

Uit het boek Onderweg van Wies Merckx

zondag 26 oktober 2014

Agenda bijgewerkt

Bekijk de bijgewerkte agenda
Toevoegingen/Veranderingen:
- Misvieringen volgende weken bijgewerkt
- activiteiten parochie
- vergaderingen parochiale ploeg en kerkfabriek

woensdag 22 oktober 2014

Gard Schrijft Ons Vanuit Bhutan

Een week in Bhutan

Zoals verleden week, ben ik ook nu niet zeker wanneer je dit zal lezen. Ik schrijf op donderdagavond 9 okt.

Precies een week geleden kwamen we toe in dit land. De grensovergang is een ervaring op zichzelf. Eerst wandelden we van het hotel naar de Indiase grenspolitie om uit te schrijven. Daar werd een foto van onze ogen genomen. Na het ontbijt gingen we de andere richting uit om ons in Bhutan in te schrijven, een pasfoto te laten maken en vingerafdrukken te geven. Drie uur duurde de operatie.

Hier zijn de wegen net iets beter dan in India en de gemiddelde snelheid ligt bijna bij 30 km. per uur. We rijden nu met een “grote” bus voor negentien personen en een minibus voor zeven personen. In die laatste neem ik een vaste plaats waar ik de benen kan strekken. De andere zitplaatsen zijn immers op de maat van Japanners en andere Aziaten.

Deze reis is gepland om de festivals mee te maken. Zulke feesten zijn wat verspreid over het hele jaar. Het zijn religieuze (Boeddhistische) feesten en tegelijk folkloristische en commerciële hoogdagen. Vergelijk het maar met onze kermis die begint met een H. Mis en processie en vervolgt met een foor en jaarmarkt.

Het feest in Thimphu, de hoofdstad, begon al twee dagen voor wij er toekwamen. Achter het klooster zijn aan vier zijden stenen tribunes gebouwd, zowat vijftien trappen hoog. Ik schat dat er die dag 20.000 mensen samengepakt zaten of stonden. Alles samen zijn er maar 800.000 Bhutanen! Het was wriemelen en duwen om een plaats te bemachtigen. Volgens de regels moest iedereen zitten. Fotografen willen echter graag recht staan. Ik had een hoekje gevonden, zo’n twintig meter van het podium. Maar na een tijdje duwden anderen me er weg.

Ondertussen werd er een krijgsdans opgevoerd als teken dat men het geloof en de koning wil verdedigen tegen alle boze krachten. Vol verwondering bemerk ik dat het Boeddhisme in dit land veel goden en godinnen uit het animistische, heidense verleden wil te vriend houden. Of hen vreest als ze kwaadaardig zijn.

De dansers dragen afschuwelijke maskers om de ‘vijand’ schrik aan te jagen en hun kleren zijn zwaar. Het is dertig graden in de schaduw en de ruwe dans duurt drie kwartier. Hoe houden de dansers het vol in de laaiende zon? In oude tijden dansten de monniken, nu zijn het professionelen. Want soms komt de koning wel eens kijken. Zijn paleis zit immers vast aan de verre zijde van het klooster en beide gebouwen zijn privé-eigendom van het vorstenhuis.

De volgende dag zitten er op dezelfde plaats een kwart minder mensen en gebeuren er ook andere dingen.

Het Boeddhabeeld is nu uitgestald en een lange, lange rij, vooral vrouwen, schuiven aan om het beeld te vereren. Die file begint al buiten de arena en slingert zich langs drie zijden van de tribunes. Na een uur of meer nadert de gelovige dan het beeld. Er tegenover staat een monnik. Hij neemt elke gelovige bij het achterhoofd en duwt het hoofd zodat de lippen de sokkel raken, richt de vrome weer op en port hem of haar verder. De handeling neemt ongeveer een halve seconde en herhaalt zich weer. De sliert wordt maar niet korter!

Ondertussen zingen en dansen een koor van vrouwen een rustig pastoraal lied en een volkswijsje. Daarna is het weer de beurt aan een krijgsdans, nu rond de dolken die men gebruikt om de vijand te bestrijden. Een peuter wandelt parmantig naar het terrein en inspecteert aandachtig, handen op de rug, minutenlang die gemaskerde forse atleten. Tot een gemaskerde clown-ordehandhaver hem spelenderwijs wegjaagt. Zo heeft de kleuter het niet begrepen. Met een gezicht zo groot als een pannenkoek en vol schreiende angst rent hij naar zijn moeder.

In Tangbi Goempa kijken we naar het begin van een ander, een lokaal festival. Bij de openingsceremonie brengen vurige kerels een wilde rondedans rond enkele brandende takkenbossen. Dan gaat de voorganger, een oude fragiele man, met de monniken en de dansers, gevolgd door alle toeschouwers naar buiten. Op een weide staan twee brandstapels als hooioppers opgesteld, op vijf meter van mekaar. Na nog een wilde dans worden beide stapels aangestoken en de hele meute loopt tussen de knetterende reuzenfakkels door. Honderden mensen, lokalen en toeristen, lijken uit een brandend gebouw te ontsnappen. De vlammen laaien steeds hoger, meters hoog. De vuurgloed doet de menigte achteruit deinzen. Toch blijven de gelovigen tussen de twee brandhaarden doorlopen, tot driemaal toe. Een vrouw struikelt en valt net voorbij de doorgang. Gelukkig vertrappelt niemand haar. Ze scharrelt recht, schudt het vuil en vooral de gensters van haar kleren en ze rent weer verder.

Want het vuur vernietigt zonden en zwakheden, zo gelooft men. Het reinigt het individu voor een nieuw en gelukkig leven in het komend jaar. Het christelijke vergevingsmoment bij het begin van de eredienst is minder spectaculair, ook minder gevaarlijk.

Dat brengt me bij een andere bedenking. In de verschillende tempels die we bezochten nemen de westerlingen heel vroom de zegeningen in ontvangst van een boeddhistische monnik, offeren graag een bankbiljet, luisteren vol aandacht naar de verhalen over reïncarnaties, geesten, gedaanteveranderingen van heiligen en oorlogen tussen demonen en goden. Zij stellen geïnteresseerde vragen om beter te begrijpen en te geloven. Als ze een zelfde welkom zouden krijgen in een kerk, zouden ze gekscheren en de katholieken uitlachen als achterlijken en onnozelen. Maar hier lopen ze steeds braaf in de voorgeschreven richting rond de stupa’s en onthouden zich van foto’s in de gebedsruimtes. Het exotische lijkt geloofwaardiger dan de eigen cultuur- en geloofstradities. Voor mij onbegrijpelijk.

Er valt nog zoveel te vertellen. Over drie dagen vlieg ik naar Kathmandu. Daarover zal ik je niet meer

kunnen vertellen, want kort daarna kom ik in Vlaanderen de herfst beleven.

Gard Vermeulen

De Tweede Wereldoorlog - deel 7

Wapenstilstandsverjaring en ’s Konings naamfeest

Op 23.10.1941 geeft de Militaire Bevelhebber voor België en Noord-Frankrijk volgende onderrichtingen aan het College der Secretarissen-Generaal:

Op wapenstilstandsdag, 11 november (feestdag ingesteld bij wet van 21.7.1922), mogen geen ceremoniën noch manifestaties plaats hebben. Dien dag zullen de openbare besturen dienst doen, de scholen en de winkels open blijven, en alle bedrijven werken. Alle bevlagging is verboden. Bepaalde insignes (waarschijnlijk deze met betrekking tot WO I) mogen niet worden gedragen en er mogen die dag geen bloemen neergelegd worden aan de gedenktekens der oud-strijders.

Op 15 november, de naamdag van de Koning, zijn godsdienstplechtigheden, inzonderheid Te Deums, toegelaten. In de scholen mag vrijaf gegeven worden. Maar manifestaties en openbare bevlagging zijn verboden. Het werk mag niet onderbroken worden. Voor insignes geldt de regel van 11 november.

Feest van 1 mei

Een brief van 24.4.1942 van de Oberfeldkommandantur, getekend door de Kriegsverwaltungschef, aan de gouverneur van de Provincie Brabant betreffende 1 mei 1942, zegt o.a. het volgende:

“Het is mogelijk dat 1 Mei voor de kommunisten een voorwendsel worde om zich te laten opmerken door betoogingen en sabotagedaden.

Ik verzoek U diensvolgens een bijzondere aandacht te wijden aan de propaganda en andere voorbereidingen van de kommunisten met het oog op den 1 Mei en me de opmerkingen van algemeen belang meede te deelen.

De 1 Mei is een gewone werkdag.”

Gemeenteraden

Met het besluit van 28.5.1941 van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid worden de bevoegdheden van de gemeenteraden overgedragen aan andere instanties. De opschorting der gemeenteraden gebeurde al op 11.4.1941. Op 23.3.1941 was de Korbeekse gemeenteraad voor het laatst bijeengekomen.

Hulp aan geallieerde piloten en krijgsgevangenen

Op 7.2.1942 brengt de gouverneur de Duitse onderrichtingen (eigenlijk een persbericht) in verband met hulpverlening aan o.a. vliegeniers die Duitsland vijandig zijn, ter kennis van de burgemeesters:

“De steun, die soms louter om gevoelsmotieven aan de vijand of aan personen der vijandelijke macht wordt verleend, moet door de Duitse krijgsgerechten te velde met de dood worden gestraft. Ieder hoede zich bijgevolg voor vals medelijden met ontvluchte krijgsgevangenen, in het bijzonder ook voor het verlenen van steun of het begunstigen van de vlucht van vijandelijke vliegtuigbemanningen.”

In de vroegte op een zomerse morgen ontdekte mijn vader een schichtige man op ons erf. Hij sprak een onverstaanbare taal, herhaalde voortdurend “Ruski”, en maakte duidelijk dat hij honger had. Mede uit zijn kleding leidde mijn vader af dat het een ontsnapte Russische krijgsgevangene was. Hij heeft de man een pak boterhammen meegegeven. Bij Louis Bruffaerts (de Witten Boer) zou hij andere kleren hebben gekregen, maar wat er uiteindelijk met hem is gebeurd is niet bekend.

Ik denk niet dat mijn vader zich op dat moment realiseerde dat hij daarvoor de doodstraf kon krijgen.

Sluikhandel

Op 6.12.1940 stuurt de provinciegouverneur een schrijven door van de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid waarin deze aandringt op controle van het gebruik van autovrachtwagens omdat werd vastgesteld dat ze gebruikt worden door smokkelaars.

In een brief van 10.3.1941 van de provinciegouverneur aan de burgemeesters citeert eerstgenoemde wat de secretaris-generaal van het Departement Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid hem schrijft:

“De Duitsche overheid wijst er op dat blijkens bevindingen de onderdrukking van de sluikhandel merkbaar is verslapt, dat de diefstallen en andere soortgelijke delicten aanzienlijk toenemen, terwijl het getal aangehouden delinquenten onbeduidend is, en dat, ten slotte, de doeltreffendheid van het toezicht gehouden ter voorkoming van alle andere delicten op zoodanig peil is komen te staan dat de uitslagen slechts een derde bereiken van wat tevoren werd bekomen.”

Gebed van de week: Maar red ons uit de greep van het kwaad

Ook ik ben

kind van deze tijd

misleid

gegrepen

door het kwade

in schitterende verpakking.

Erfenis

nalatenschap van

alles kan en alles mag.

Red ons, Heer,

en maak los wat knevelt,

verweek wat is verhard,

maak ons vrij.

Geef vrede, Heer,

geef vrede.

Help ons

uw Woord van Liefde

te doen.

Verbonden

met U.

Gezonden

door Jezus.

Aangevuurd

door de Geest.

Vandaag

en altijd weer opnieuw

tot in de eeuwigheid.

Uit het boek Onderweg van Wies Merckx